Andy Fierens
Andy Fierens

“Ging het goed?” vraagt mijn vrouw wanneer ik thuiskom.

“Ze daagde niet op”, zeg ik.

“Ik wist helemaal niet dat je een blind date had”, lacht Leo, die tegenover mijn vrouw zit. Naar goede gewoonte heeft hij een koffietje en een stuk taart voor zich staan.

Leo is onze klusjesman.

De natuur heeft mij opgezadeld met twee linkerhanden. Dat het mij tijd noch moeite kost om bij ons thuis een klein defect of technisch probleem om te buigen in een totale catastrofe, is geen geheim voor mijn omgeving. Wie mij naar een hamer of een schroevendraaier ziet grijpen, is geneigd om spontaan dekking te zoeken. Dus als de kraan lekt of de deur klemt, belt mijn vrouw meteen Leo. Vandaag kwam hij onze boiler reanimeren.

Ik vertel hem dat ik voor een nieuw project een stukje moet schrijven waarin een tram figureert. Via een vriend kwam ik in contact met een tramchauffeur op rust. Ik sprak met haar af om samen een tramrit te maken. Onderweg zou zij mij een paar sterke verhalen vertellen over haar tijd bij De Lijn. Ik heb meer dan een uur op haar gewacht aan halte Diamant, maar ze stuurde haar kat.

“Dat zoiets jou weer moet overkomen”, zegt mijn vrouw. “Wanneer moet dat stukje klaar zijn?”

“Morgen.”

“Morgen? Maar enfin, waarom heb je dat weer zo lang uitgesteld?”

Mijn uitstelgedrag is, net als mijn onhandigheid, een onderwerp dat op familiebijeenkomsten dankbaar wordt aangesneden om de sfeer erin te krijgen.

“Waarom neem je geen interview af van mij?” zegt Leo. “Ik ken véél sterke verhalen en ik ben met de tram tot hier gekomen. Je kan met mij mee terugrijden naar de Nationalestraat.”

“Wat een goed idee, Leo”, zegt mijn vrouw, die hierin een uitgelezen kans ziet om Leo de deur uit te krijgen.

Wij zien Leo graag komen. Wij zien Leo ook graag weer gaan.

Als je hem na het werk om de rekening vraagt, zegt hij doorgaans: “Och, voor zo’n kleinigheid kan ik geen geld vragen. Geef me maar gewoon een koffie en iets zoets, als je dat in huis hebt.” Nee, hij doet het niet voor het geld.

Wij denken dat Leo vooral bijklust omdat hij een beetje eenzaam is. Want eens die koffie op tafel komt, krijg je hem de deur niet meer uit. Dan begint hij te vertellen: belegen moppen waarop geen mens nog zit te wachten; wilde verhalen over de uitspattingen die zijn jeugd kleurden; herinneringen aan zijn kinderen, die hij in geen tien jaar heeft gesproken… Zo’n monoloog – want je krijgt er geen woord tussen – duurt uren. Letterlijk. Subtiele hints dat wij zelf nog werk te doen hebben of dra de deur uit moeten, maken geen indruk op Leo.

“Dan moeten we nu wel vertrekken,” zeg ik terwijl ik met mijn vrouw een blik van verstandhouding uitwissel, “want anders heb ik straks niet genoeg tijd om alles uit te typen.”

“Leo, voor je gaat, hoeveel moeten we je voor de boiler?” zegt mijn vrouw.

“Ach, voor zo’n kleinigheid,” zegt Leo volgens script, “doe mijn tas nog eens vol en ’t is in orde.”

Twee koffies en een groot stuk taart later trek ik de deur achter ons dicht.

“Heb je ooit iets leuks meegemaakt op de tram?” vraag ik terwijl we naar de tramhalte op de hoek van de Abdijstraat en de Sint-Bernardsesteenweg wandelen.

Leo lijkt mij niet te hebben gehoord en zegt: “Ken je die van de parkinsonpatiënt die tijdens het shopliften op heterdaad wordt betrapt?”

“Had je die al niet eens verteld?”

“Hij had een tamboerijn gestolen!”

Als we aan de tramhalte arriveren, is Leo nog volop aan het lachen om zijn eigen witz.

“We hebben geluk Leo, daar komt tram 4 aangereden. Die moet jouw kant op.”

“Laten we tot aan de volgende halte wandelen,” zegt Leo, “want die taart ligt zwaar op mijn maag. Een beetje frisse lucht zal deugd doen.”

“Oké, Leo.”

Tussen haltes Abdijstraat en Kielpark vertelt Leo dat hij tijdens het surfen op een website met rare plaatsnamen is gestoten. Hij heeft het plan opgevat om al die plaatsen te bezoeken, van Genoelselderen in Haspengouw tot Bekaf in Stekene. De moppentapper in Leo roert zich duchtig wanneer hij vertelt over de gehuchten Grote Homo, Nieuwe Homo en Kleine Homo bij Lanklaar.

Aan haltes Generaal Armstrong en Kolonel Silvertop heeft Leo nog steeds last van zijn maag. Ik luister naar verhalen over zijn vakanties in Blankenberge, de beste manier om een dak te isoleren en dopinggebruik bij wielrenners. Mijn notitieboekje is mijn binnenzak nog niet uit geweest.

“Zullen we de tram hier aan het Zuidstation nemen, Leo? We moeten stilaan toch eens aan dat interview beginnen.”

“Kijk eens naar het lampje, het duurt nog minstens tien minuten voor die hier is. Ik ben niet van plan om hier wortel te schieten. Kom, we lopen nog een stukje.”

Leo legt mij uit waarvoor je moet opletten bij het frezen en hoe je konijnen vangt.

Als ik plots merk dat hij geen gereedschapstas draagt, ben ik bang dat we moeten omkeren om deze bij mij thuis op te halen. “Ik heb jouw gereedschap gebruikt”, stelt Leo mij gerust. “Jij hebt alles in huis. Je mag het alleen niet aanraken van je vrouw.” Terwijl Leo bulderlacht, komt halte Bolivarplaats in zicht.

Daar wil Leo liever niet opstappen omdat er te veel mensen staan. “Het moet wel gezellig blijven, hé.”

Tegen de tijd dat Leo over de pijnlijke scheiding van zijn derde vrouw is uitgepraat, zijn we tot aan het Museum voor Schone Kunsten gewandeld. Leo vertelt over de V-2’s die hier tijdens de oorlog zijn gevallen.

“We moeten nu echt de tram op, Leo. Kan je me misschien al eens vertellen waarom je zo graag met de tram rijdt?”

Net dan lopen we Leo’s vriend Guido tegen het lijf. Ik kom alles te weten over hun geweldige tijd samen bij het leger en over Guido’s absintvergiftigingen in 1987 en in 1991. “Allez, tot in den draai, mannen”, zegt Guido een kwartier later ten afscheid.

Aan het Tropisch Instituut vertelt Leo over de parasiet die zijn buurman met zich mee terugbracht uit Ghana. We zijn nu in de Nationalestraat. Ter hoogte van Sint-Andries zegt Leo: “Zo, hier woon ik. Ik ga even op bed liggen want mijn maag speelt opnieuw op.”

“Maar Leo…”

“We moeten dat meer doen, zo bijpraten. Tot ziens hé, en doe ze thuis de groeten.”

“Leo, ik…”

Maar Leo is al weg.

Ik neem tram 4 weer naar huis.

“Ging het goed?” vraagt mijn vrouw.

“Leo…”

“Ja,” zegt mijn vrouw, “Leo.”

“Weet je wat,” zegt ze na een korte stilte, “misschien moeten jij en ik eerst even samen lekker in bad. Dat zal ons deugd doen. Er is weer warm water.”

 

Andy Fierens

vorige volgende