Drie procent van de kinderen in het lager onderwijs in Antwerpen spijbelt. Dit gebeurt met medeweten van de ouders. Nog eens een derde van die leerlingen zit in het eerste leerjaar. Bovendien wordt een aantal achttien plussers nog als spijbelaar beschouwd. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Meldpunt voor Risicojongeren (CMP).

CMP

Het Antwerpse stadsbestuur doet sinds 2003 extra inspanningen om het spijbelgedrag in Antwerpse scholen tijdig op te sporen en in te perken. Voor de vijfde maal registreert het Centraal Meldpunt voor Risicojongeren (CMP) het spijbelgedrag in Antwerpse scholen. “Leerplichtige jongeren moeten op school zijn. Gebeurt dat niet, dan brengen ze niet alleen hun eigen toekomst in gevaar, maar hebben we ook een maatschappelijk probleem. Daarom moeten wij van in de lagere school spijbelgedrag voorkomen”, vertelt schepen voor onderwijs Robert Vorhamme. De Vlaamse norm voor spijbelen ligt op dertig halve dagen. Voorhamme verkiest echter om in Antwerpen leerlingen vanaf tien halve dagen te registreren.

Lager onderwijs

Sinds vorig schooljaar wordt voor het eerst het spijbelgedrag in de Antwerpse basisscholen geregistreerd. De spijbelproblematiek concentreert zich voornamelijk in Antwerpen-Noord, Oud-Borgerhout en Deurne-Noord. Verder blijkt uit de steekproef dat vooral kinderen uit het eerste leerjaar spijbelen, met medeweten van hun ouders. Spijbelambtenaar Sofie Van de Velde spreekt in deze context van het ‘verlengde kleuterschooleffect’: “Vaak gaat het om ouders die de onderwijswetgeving niet voldoende kennen en niet beseffen dat hun kind vanaf het eerste leerjaar leerplichtig is. Dat kunnen anderstalige nieuwkomers zijn, maar vaak gaat het om kinderen uit kansarme gezinnen die in een problematische opvoedingssituatie bevinden.” Opmerkelijk is dat spijbelaars vaak school lopen in het buitengewoon onderwijs (leerlingen met mentale handicaps of gedragsproblemen).

Coaching

Omdat spijbelen in de lagere scholen meestal gebeurt met medeweten van de ouders, heeft het weinig zin om kinderen te straffen. “Wij moeten vooral bekijken hoe wij ouders beter kunnen ondersteunen zodat zij inzien hoe belangrijk het is dat hun kinderen dagelijks naar school gaan”, aldus de spijbelambtenaar. Het coachingsproject van het Antwerpse Minderhedencentrum de8 is om die reden tot stand gekomen. Een coach begeleidt een 21-tal kinderen zowel in de klas als in het gezin. “Ik tracht eerst het vertrouwen van de ouders te winnen. Eens dat gebeurd is, wijs ik niet op problemen maar zoek ik samen met de ouders naar oplossingen ”, vertelt coach Naima Taheri van de8.

Secundair onderwijs

Het spijbelgedrag in het Antwerps secundair onderwijs is licht gestegen, van 13,4 % naar 13,8 %, tegenover vorig schooljaar. De toename is grotendeels te wijten aan het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) en Syntra (beroepsgerichte opleiding). Opvallend is dat meer dan de helft van de Antwerpse spijbelaars ouder is dan achttien. “Hoewel deze jongeren niet meer leerplichtig zijn, menen wij toch dat scholen de aandacht niet mogen laten verslappen. Het einddoel is pas bereikt wanneer deze leerlingen een diploma op zak hebben”, vindt schepen Voorhamme.

Preventie

De voorbije jaren heeft de stad veel aandacht besteed aan de correcte registratie van spijbelcijfers. Met behulp van die cijfers worden directies bewustgemaakt van de spijbelproblematiek. Zo kunnen ze gerichter kijken en tendensen afleiden om het spijbelgedrag in hun eigen school op een juiste manier aan te pakken. Naast de opvolging van individuele spijbeldossiers geeft de spijbelambtenaar vorming aan schoolteams, in lerarenopleidingen en aan CLB’s (Centrum voor Leerlingenbegeleiding). “Uiteindelijk is ook elke leerkracht zelf verantwoordelijk om zijn of haar lessen aangenaam te maken”, besluit spijbelambtenaar Sofie Van de Velde.

© 2009 – StampMedia – Haik Guevorkian