• Kom naar Kick-off, onze opendeurdag vol media, op 23 september

  • Elke dinsdag-, woensdag- en donderdagmiddag StampLab, waar je experimenteert met media

  • Boek een mediawijze workshop voor je klas of organisatie

© Aman Alzuabidi

Opinie | Van 5 naar 30 euro: beschermt Europa de consument of vooral de tussenhandel?

Een tuinsproeier lijkt op het eerste gezicht weinig met Europese handelspolitiek te maken te hebben. Toch deed een recente aankoop mij nadenken over de manier waarop Europa omgaat met goedkope producten uit China.

Onlangs kocht ik op AliExpress voor ongeveer vijf euro een tuinsproeier met verschillende sproeistanden. Niet veel later zag ik in een gewone winkel voor ongeveer dertig euro een sproeier die er hetzelfde uitzag en dezelfde functies had. Ik kan niet met zekerheid zeggen dat beide producten in dezelfde fabriek zijn gemaakt, maar een verschil was nauwelijks te zien.

Een Europese winkel heeft extra kosten voor personeel, huisvesting, voorraad, garantie en productcontrole. Een importeur moet invoerrechten en btw betalen, Europese productregels naleven en verantwoordelijkheid opnemen wanneer er iets misgaat. Een hogere verkoopprijs is dus gedeeltelijk te verklaren. Maar waarom wordt een product problematisch wanneer ik het rechtstreeks bij een Chinese verkoper koop, maar aanvaardbaar zodra een Europese tussenhandelaar het importeert en voor een veelvoud van de prijs doorverkoopt? Nu Europa opnieuw extra heffingen op zulke rechtstreekse aankopen wil invoeren, wordt die vraag alleen maar relevanter.

De consument betaalt

In juli werd al een tijdelijke invoerheffing ingevoerd van drie euro op goedkope e-commerce-importen van buiten de Europese Unie. Nu heeft de Europese Commissie een bijkomende afhandelingstaks van twee euro voorgesteld. Die moet vanaf november de stijgende kosten van de douane helpen financieren. Juridisch gezien moeten de platforms, verkopers of vervoerders die kosten dragen, economisch is de kans groot dat zij de kosten geheel of gedeeltelijk doorrekenen aan hun klanten. De reden daarvoor is begrijpelijk: in 2025 kwamen bijna zes miljard goedkope e-commerceartikelen de Europese Unie binnen. Meer dan negentig procent daarvan was afkomstig uit China. De douane moet controleren of deze producten veilig zijn, correct worden aangegeven en aan de Europese regels voldoen. Dat vraagt personeel, digitale systemen en fysieke controles. Het is dan ook logisch dat platforms zoals Shein, Temu en AliExpress hun verantwoordelijkheid moeten opnemen.

De maatregelen treffen vooral prijsbewuste consumenten zoals gezinnen met een beperkt inkomen en de lagere middenklasse

Sommige boetieks en webwinkels kopen goederen bij fabrikanten of groothandelaars buiten Europa en verkopen die daarna met een hogere prijs door. Soms gaat het om een product dat consumenten ook rechtstreeks op AliExpress of een ander platform kunnen vinden. Bij grote modeketens zoals Zara, Bershka, H&M en Primark is dat anders. Zij laten ook hun kleding buiten Europa produceren maar werken met eigen ontwerpen, collecties en leveranciers. De productie-impact verdwijnt dus niet doordat er een Europees merk of een Europese winkel tussen staat. Waarom wordt een product dan verdacht wanneer een consument het rechtstreeks bestelt, maar aanvaardbaar zodra een Europese handelaar het importeert en met winst doorverkoopt? De Europese importeur zorgt wel voor extra controle en juridische verantwoordelijkheid, maar de oorspronkelijke productieomstandigheden en gebruikte materialen veranderen daardoor niet.

Voor iemand die een duur luxegoed koopt, maakt twee of drie euro nauwelijks verschil maar voor wie bewust naar het goedkoopste alternatief zoekt, kan het een aanzienlijk deel van de aankoopprijs zijn. De maatregelen treffen dus vooral prijsbewuste consumenten zoals gezinnen met een beperkt inkomen en de lagere middenklasse. Voor hen is goedkoop online winkelen niet altijd gedachteloze overconsumptie. Het kan ook een manier zijn om noodzakelijke aankopen betaalbaar te houden.

Duurder, maar niet beter

Dat de Europese textielsector voor strengere maatregelen lobbyt, is geen geheim. Begin september kwam de sector samen op de vakbeurs Première Vision nabij Parijs. Daar vroeg Euratex, de Europese koepelorganisatie van de textielindustrie, om de afhandelingstaks niet op twee, maar op tien euro per pakket vast te leggen. Ook Franse textielfederaties steunden die oproep. Wanneer die sector voordeel haalt uit het duurder maken van rechtstreekse aankopen, mag de consument zich afvragen wat hier het zwaarst doorweegt: productveiligheid of bescherming tegen goedkope concurrentie.

Ook Frankrijk heeft ondertussen afzonderlijke maatregelen genomen tegen ultrafastfashion. Daar geldt een ecologische bijdrage die in de praktijk vooral platforms zoals Shein viseert. Tegen 2030 kan die bijdrage voor bepaalde kledingstukken oplopen tot ongeveer 19,50 euro. Klassieke Europese fastfashionketens worden veel minder zwaar getroffen. Hierdoor ontstaat de indruk dat niet alleen het vervuilende bedrijfsmodel wordt aangepakt, maar ook de buitenlandse herkomst van de concurrent.

Een zekere mate van Europees protectionisme is begrijpelijk maar het mag innovatie niet in de weg staan. Als Europa buitenlandse concurrenten alleen duurder maakt, vermindert de druk op Europese retailers om hun prijzen, digitale dienstverlening, logistiek en productieketens te verbeteren. De consument betaalt dan meer, terwijl het Europese aanbod niet noodzakelijk beter of duurzamer wordt. Mijn tuinsproeier van vijf euro wordt geen beter product wanneer een Europese winkel hem voor dertig euro verkoopt. Het is dus terecht dat buitenlandse platforms aan dezelfde regels worden onderworpen. Maar als Europa werkelijk de consument wil beschermen, moet het ook opletten dat die consument niet telkens degene is die de volledige rekening betaalt.