© Margo Suykerbuyk

Het begrip 'vrijheid' wordt vandaag de dag vaak geïnterpreteerd als het beschikken over enkele onschendbare, individuele rechten. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) belichaamt deze visie op vrijheid, waarin vrijheid voornamelijk wordt gelijkgesteld aan de afwezigheid van de inmenging van een ander. Dat is wat filosoof Isaiah Berlin 'negatieve vrijheid' noemt. Het woord 'negatief' slaat hier op het wegblijven van iets, bijvoorbeeld van onderdrukking of bemoeienis. Maar hoe komen we op dat ideaal van negatieve vrijheid? Is het een jong begrip? En vullen we ons idee van vrijheid vandaag de dag dan niet te individualistisch in?

Vrijheid in de Antieke Tijd

De oude Grieken introduceren het concept 'vrij-zijn' als het tegendeel van 'slaaf-zijn'. Allereerst doen ze dat in de letterlijke zin van het woord, maar later ook in de figuurlijke. Onderdanig zijn aan een bepaald bestuur of een bepaalde bestuurder, vertaalt zich namelijk ook als een soort van slaafsheid tegenover de ander. Met die redenering stoten de oude Grieken op de perfecte bestuursvorm: het zelfbestuur of de democratie. Zij beschouwen vrijheid als een politieke vrijheid, waarbij ze actief deel uitmaken van de regering.

In de middeleeuwen wordt vrijheid veelal uitsluitend opgevat als keuzevrijheid, vertelt docent filosofie Geert Van Eekert. Deze gedachte hangt samen met de gedachte dat God de mens vrij geschapen heeft en niet als zijn blinde gehoorzame. De mens moet met andere woorden vrij kunnen kiezen voor een leven in teken van het godsgeloof.

Keer op keer wordt er in de Westerse geschiedenis teruggegrepen naar het ‘antieke’ idee van de vrijheid. In de Renaissance kent dit vrijheidsbegrip bijvoorbeeld opnieuw een opmars. Volgens de denkers uit de renaissanceperiode ben je alleen vrij wanneer je als mens in de samenleving erkend wordt en politieke rechten krijgt. Ook tijdens de Franse Revolutie verlangt men naar een actief deelnemen aan de regering. Dat is een gevolg van het grote contrast tussen het arme Franse volk en de vorsten die hun rijkdom zonder verpinken etaleren.

In andere culturen wordt vrijheid niet noodzakelijk gelinkt aan politieke vrijheid, maar kan het ook verwijzen naar een soort van innerlijke rust, zoals bijvoorbeeld in het boeddhisme. Het idee dat vrijheid ligt in de verbintenis met de gemeenschap en de oudere generaties, vinden we eerder terug in Afrikaanse en Aziatische contreien. “In Afrika, maar ook in veel Aziatische historische kennistradities, is er veel minder die idee dat vrijheid zou impliceren dat je kan doen waar je zin in hebt. Vrijheid betekent juist dat je rekening met elkaar houdt en dat je verantwoordelijkheid voor jezelf en anderen opneemt,” vat Inge Brinkman uit de opleiding Afrikaanse Talen en Culturen (UGent) samen. 

Negatieve vrijheid

Er bestaat een contrast tussen het vrijheidsbegrip van vóór de Franse Revolutie en het vrijheidsbegrip van na de Franse Revolutie. “De verschuiving naar de focus op ‘negatieve vrijheden’ is wellicht afkomstig uit de ideeën van de Franse contrarevolutionairen,” stelt historicus en filosofe Annelien De Dijn. Zij vreesden als elite namelijk voor de inmenging van de (stupide) massa in hun staatsbestuur. Bijgevolg wordt hun concept van vrijheid ingevuld als een vrijheid van staatsbemoeienis. 

“In diezelfde periode is de gedachte van de negatieve vrijheid ook levendig aanwezig bij filosofen,” vertelt Geert Van Eekert. Onder andere John Locke en Thomas Hobbes beschouwen de staat als een noodzakelijk kwaad om de organisatie van een samenleving, de veiligheid van burgers en het privébezit te kunnen garanderen. Deze ideeën ontstonden als een gevolg van de godsdienstoorlogen, waarna religieuze vrijheid meer werd getolereerd.

Hier bevindt zich de eerste radicale verschuiving in het vrijheidsbegrip van de mens. In ruil voor respect voor de regels van de staat, krijgen burgers individuele rechten en vrijheden. Burgers doen met andere woorden wat ze willen, zolang ze zich houden aan centrale regels en wetten. De voorstelling van de ‘vrije mens’ verschuift op die manier van de actieve, politieke burger naar het vrije individu. Die distinctie tussen burger en individu is groot, want het ‘burger-zijn’ impliceert een bepaalde betrokkenheid.

Vrijheid vandaag

Een negatief vrijheidsbegrip zondert het individu voor een stuk af van 'de ander'. Op die manier hangt de ontwikkeling van het negatief vrijheidsbegrip samen met de vorming van een individualistisch vrijheidsbeeld.

Vanaf de jaren ’60 raakt die individualisering van ons vrijheidsbegrip in een stroomverstelling. De periode wordt gekenmerkt door verschillende protestbewegingen en emancipatorische groeperingen die meer aandacht vragen voor de individuele vrijheden van de mens. Dankzij de feministische beweging, kan de vrouw zich bijvoorbeeld voor een stuk loskoppelen van haar gezin. De emancipatie van het individu zorgt ervoor dat het idee van vrijheid als burgerschap deels van het toneel verdwijnt. 

Ook socioloog en filosoof François Levrau noemt de periode tussen 1960 en 1980 een kantelmoment. Daar zijn verschillende oorzaken voor. De secularisatie en de rationalisatie (de rede en het efficiëntiedenken versus de tradities en de waarden) leiden onder andere tot een meer individualistische invulling van het leven, en dus van ons vrijheidsbegrip.

Maar ook onze sociale normen zijn vervaagd, meent Levrau. Zo waren er vroeger bepaalde sociale scenario’s over hoe men zich in de publieke ruimte moest gedragen. Die scenario's vertelden hoe mannen vrouwen moesten aanspreken of hoe een kind een volwassene benadert. Sommige van die scenario’s zijn intussen vervaagd of verdwenen, maar werden niet door andere sociale normen vervangen. Daarom werden we als mens erg aangewezen op onszelf en werd de vrijheid genomen om die gedragsregels zelf in te vullen. We bepalen nu dus grotendeels zelf onze regels en wetten, waardoor we ook sneller in conflict raken met de ander (die ook vooral focust op zijn eigen wil en vrijheden). Door het verlies van die sociale tradities, zijn we een soort van hogere waarde, en dus een bindmiddel met de ander, verloren. De nadruk op onze eigen, individuele wetten is volgens Levrau daarom nefast. Men interpreteert ‘grotere’ collectieve waarden steeds vaker als stoorzenders voor de eigen wetten en vrijheid.

Zijn we onze gemeenschapszin verloren?

Het idee van negatieve vrijheid is op zich niet slecht, vertelt Levrau. Maar ze is wel problematisch als ze niet naast andere belangrijke waarden kan bestaan, zoals het idee van solidariteit en het idee van gelijkheid bijvoorbeeld. Vrijheid die solidariteit uit het oog verliest, is tenslotte een kille vrijheid die mensen uit elkaar trekt, eerder dan op elkaar be-trekt. 

Toch eindigt Levrau niet noodzakelijk negatief. Burgerzin – het besef van je plichten en betrokkenheid als burger – kan je namelijk trainen. Daarvoor baseert hij zich op het aloude idee van Aristoteles dat eigenschappen die we lovenswaardig vinden, karaktereigenschappen kunnen worden naarmate men ze in de praktijk blijft toepassen. Misschien schuilt hier wel een opdracht in voor de jongere generaties, concludeert hij.

PIEK VAN INDIVIDUALISME IS VOORBIJ

Door een gebrek aan zingeving in een individualistische samenleving, zoeken de jonge generaties van nu het collectieve weer op.

Millennials (mensen geboren tussen 1981 en 1996) staan op de rand van een kantelmoment, zegt Gabriel Grant, onderzoeker aan de Universiteit van Yale. In zijn studies maakt Grant de vergelijking tussen twee schijnbaar afwijkende waarnemingen over de generatie van de millennials (generatie Y). Enerzijds bevinden onderzoekers dat generatie Y, meer dan andere generaties, op zoek gaat naar zingeving (‘purpose’). Zingeving wordt daarin gedefinieerd als 'een stabiele intentie om iets te bereiken dat tegelijkertijd betekenisvol is voor zichzelf en gunstig voor de wereld buiten zichzelf'. Anderzijds worden de millennials genoemd als de meest individualistische, materialistische en narcistische generatie tot nu toe. “Misschien zijn ze het wel alletwee, en staat generatie Y op een belangrijk keerpunt,” concludeert Grant. De resultaten van zijn onderzoek suggereren dat de millennials de eersten zouden kunnen worden die de historische loop in de richting van individualisme omkeren of overstijgen. Het onderzoek van Grant ondersteunt daarbij de mogelijkheid van een opkomende zingevinggeneratie of zingevingtijdperk.

De verklaring voor de zoektocht van deze en de daaropvolgende generaties naar zingeving, ligt wellicht in het feit dat een individualistische omgeving te weinig zingeving biedt. Daarom zouden jonge mensen steeds meer aan zingeving doen en om zingeving vragen. Die zingeving is per definitie een collectief gegeven.

“De jongere generatie is net de groep die zich afzet tegen een individualistische kijk op vrijheid,” bevestigt Geert Van Eekert. Hij besluit dat de jonge generaties van nu een enorm potentieel hebben om zich los te rukken van het individualistische vrijheidsdenken: “Het zijn zij die opnieuw samenkomen om collectieve problemen aan te kaarten. Denk maar aan de vele klimaatprotesten.”

vorige volgende