Steeds meer veiligheidsmaatregelen, maar is het Belgische voetbal ook veiliger?
Stewards, stadionverboden, identiteitscontroles, politie en camera’s: Belgische voetbalclubs beschikken over een uitgebreid arsenaal om supportersgeweld tegen te gaan. Toch bestaat er geen maatregel die het probleem alleen kan oplossen. Onderzoeker Rein Struyve ziet bovendien zwakke plekken in het huidige systeem: de positie van stewards verschillen tussen stadions en de verantwoordelijkheid van clubs verdienen meer aandacht.
Pyrotechniek op de tribunes, rondvliegende bekers en confrontaties tussen supporters halen regelmatig het nieuws. Daartegenover staan veiligheidsmaatregelen die de voorbije decennia steeds verder zijn uitgebouwd. Maar weten we eigenlijk hoe goed al die maatregelen werken? Dat is een van de vragen waar onderzoeker Rein Struyve zich mee bezighoudt. Samen met professor Wim Hardyns ontwikkelde hij de Voetbalveiligheidsbarometer. Daarmee wordt wetenschappelijk onderzocht hoe veilig het Belgische voetbal is.
Volgens Struyve was daar nood aan. Officiele statistieken brengen verschillende soorten incidenten soms samen in bredere categorieën, waardoor moeilijk te achterhalen is welke problemen het vaakst voorkomen. De barometer kijkt daarom niet alleen naar geweld, maar ook naar onder meer infrastructuur, toegangscontroles, camera’s en de ervaringen van veiligheidsactoren. De resultaten tonen vooral dat het supportersgeweld verandert.
Andere problemen
Twintig jaar geleden onderzocht Hardyns al voetbalgeweld. Toen kwamen volgens Struyve vooral racisme en fysiek geweld sterk naar voren. Vandaag ziet het landschap er anders uit. “Wat we zien, is dat andere vormen van voetbalgeweld vaak voorkomen”, zegt Struyve. Vooral pyrotechniek springt eruit. Ook het gooien van voorwerpen, het dragen van bivakmutsen en het gebruik van harddrugs komen volgens het onderzoek naar voren. Bij harddrugs gaat het volgens Struyve voornamelijk om cocaïne.
Opvallend is dat discriminatie volgens de barometer minder vaak wordt waargenomen dan misschien wordt gedacht. Dat betekent niet dat het probleem verdwenen is, maar wel dat andere vormen van wangedrag vaker worden gerapporteerd. Pyrotechniek staat daarbij bovenaan.
Dat vuurwerk ondanks toegangscontroles het stadion blijft binnenkomen, heeft volgens Struyve verschillende oorzaken. Het maakt voor bepaalde ultragroepen deel uit van hun groepsidentiteit. Tegelijk ziet hij beperkingen bij de controles aan de stadionpoorten.
Stewards kennen de supporters vaak persoonlijk en zijn in de eerste plaats belangrijk voor onthaal en begeleiding. Maar om de veiligheid streng te bewaken, hebben ze volgens Struyve minder middelen. Daar komt bij dat supporters bijzonder inventief kunnen zijn in het verbergen van pyrotechnisch materiaal. Een eenvoudige oplossing bestaat daarom niet.
Geen wondermaatregel
Clubs beschikken vandaag nochtans over heel wat instrumenten: stewards, camerabewaking, identiteitscontroles, combiregelingen en stadionverboden. Volgens Struyve hebben die maatregelen allemaal op een bepaalde manier een preventief effect. “Ik denk dat het echt een combinatie is. Ik denk niet dat er een maatregel uitsteekt die ervoor zal zorgen dat voetbalgeweld uitgeroeid wordt.”
“Ik denk niet dat er een maatregel uitsteekt die ervoor zal zorgen dat voetbalgeweld uitgeroeid wordt”
Rein Struyve (onderzoeker)
Vooral over de klassieke identiteitscontrole heeft hij vragen. Daarbij wordt gecontroleerd of de identiteit van de supporter overeenkomt met de naam op het ticket. Zulke controles kosten tijd en zijn niet altijd waterdicht. Digitalisering kan daar volgens hem verbetering in brengen. De invoering van identiteitsverificatie via Itsme ziet hij als een stap vooruit. Ook toeganscontrole met gezichtsherkenning kan volgens Struyve mogelijkheden bieden, al roept die technologie vragen op rond privacy en draagvlak bij supporters.
Stewards in de frontlinie
Maar technologie lost niet alles op. Volgens Struyve moet ook worden gekeken naar wie vandaag verantwoordelijk is voor de veiligheid in het stadion. Stewards spelen daarin een bijzondere rol. Dat zijn vrijwilligers die de club goed kennen, die bezoekers begeleiden en met supporters in dialoog gaan. Maar net die mensen staan bij incidenten vaak als eersten tegenover de supporters.
Uit de Voetbalveiligheidsbarometer blijkt volgens Struyve dat stewards regelmatig slachtoffer worden van voetbalgeweld. Bovendien zijn ze minder tevreden over de nazorg die ze na incidenten krijgen dan bijvoorbeeld politiemensen. Dat roept volgens hem vragen op over wat van een steward mag worden verwacht. “Ik denk niet dat het de verantwoordelijkheid is van iemand die daar aan een vrijwilligersvergoeding staat om tussen te komen bij zwaar fysiek geweld.”
Struyve pleit er niet voor om stewards uit de stadions te halen. Integendeel. Hun vertrouwdheid met supporters maakt hen volgens hem waardevol voor onthaal, begeleiding en dialoog. Voor zwaardere veiligheidstaken moet volgens hem wel worden bekeken of beter opgeleide of andere veiligheidsdiensten kunnen worden ingezet. Daarmee komt ook de verantwoordelijkheid van de clubs zelf in beeld.
Wie betaalt voor veiligheid?
Volgens Struyve ligt de prioriteit bij voetbalclubs sterk op het sportieve. Daardoor krijgt veiligheid volgens hem soms minder aandacht. “Ik denk dat clubs daar meer verantwoordelijkheid in kunnen nemen.” Hij wijst daarbij op een bredere discussie over politie-inzet rond voetbalwedstrijden. Meer politie inzetten lijkt een voor de hand liggende oplossing, maar de kosten daarvan komen uiteindelijk bij de samenleving terecht.
Struyve vraagt zich daarom in welke mate publieke middelen moeten worden ingezet voor de veiligheid van een privé-evenement. Anders dan bijvoorbeeld een jaarlijks festival worden in het Belgische profvoetbal vrijwel ieder weekend wedstrijden georganiseerd. Volgens hem mogen clubs daarom sterker geresponsabiliseerd worden om zelf in veiligheid te investeren. Meer politie betekent bovendien niet noodzakelijk minder problemen.
Harder is niet altijd beter
Ook Joshua Geertsen, directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, waarschuwt dat een te repressieve aanpak vijandigheid kan veroorzaken. Hij wees eerder op het belang van communicatie met supporters en een goede ontvangst van bezoekende fans. Volgens hem is er wetenschappelijk bewijs dat die aanpak werkt.
Onderzoek naar zogenoemde dialogue-based policing toont dat een grote politieaanwezigheid, en vooral een harde, bijna paramilitaire aanpak, eerder tot escalatie dan de-escalatie kan leiden bij bepaalde supportersgroepen. Dat betekent niet dat politie uit het stadion moet verdwijnen. Het gaat volgens Struyve vooral om de manier waarop er wordt opgetreden.
Ook stadionverboden illustreren die moeilijke balans. Een Supporter Liaison Officer (SLO) vertelde tijdens dit onderzoek dat een stadionverbod een gewone supporter sterk kan afschrikken, terwijl zo’n verbod binnen bepaalde harde kernen juist aanzien kan opleveren. Struyve herkent dat gedeeltelijk vanuit onderzoek naar hooliganisme. Toch schrijft hij stadionverboden niet af. Ze werpen letterlijk een barrière op waardoor iemand die zich heeft misdragen niet zomaar opnieuw het stadion binnen kan. De effectiviteit hangt vervolgens wel samen met de kwaliteit van toegangs- en identiteitscontroles.
Niet overal hetzelfde
Daar komt nog een ander probleem bij: de veiligheidsaanpak verschilt van stadion tot stadion. Volgens Struyve bestaat er relatief weinig uniformiteit. “Je merkt dat je in het ene stadion meer mag uitsteken dan in het andere.” Ook infrastructuur speelt daarbij een rol. Moderne stadions bieden volgens hem meer mogelijkheden om nieuwe veiligheidstechnologie, goede camerasystemen en geavanceerde toegangscontroles te gebruiken. Bij oudere infrastructuur is dat niet altijd even eenvoudig.
“Je merkt dat je in het ene stadion meer mag uitsteken dan in het andere”
Rein Struyve (onderzoeker)
Het verschil zit dus niet alleen in regels, maar ook in de middelen waarover clubs beschikken. Dat maakt het moeilijk om over ‘dé Belgische aanpak’ van supportersgeweld te spreken. Dezelfde regelgeving kan in verschillende stadions uiteindelijk anders worden toegepast.
Niet noodzakelijk extremer
Toch waarschuwt Struyve ervoor om daaruit te concluderen dat het supportersgeweld steeds extremer wordt. “Extremer is wat alarmistisch. Dat wordt vaak snel geroepen.” Net daarom vindt hij het belangrijk dat de Voetbalveiligheidsbarometer in de toekomst opnieuw wordt uitgevoerd. Pas wanneer dezelfde metingen over meerdere jaren worden herhaald, kan wetenschappelijk worden vastgesteld of het probleem daadwerkelijk groter wordt.
Wat vandaag wel zichtbaar is, is een verschuiving. Fysieke confrontaties vinden volgens Struyve bijvoorbeeld minder uitsluitend in en rond het stadion plaats. Sommige groepen spreken verder van het stadion af om elkaar op te zoeken, bijvoorbeeld bij zogenaamde bosgevechten. Niet noodzakelijk meer of extremer geweld dus, maar andere vormen en andere plaatsen.
De volgende stap
Voor de komende jaren ziet Struyve mogelijkheden om het Belgische voetbalveiligheidsbeleid verder te professionaliseren. Betere toegangscontroles zijn daar een onderdeel van, maar ook de manier waarop risicowedstrijden worden ingeschat kan volgens hem verbeteren. Vandaag gebeurt zo’n risico-inschatting nog sterk op basis van ervaring en eerdere incidenten. Een wedstrijd die in het verleden problemen opleverde, wordt daardoor sneller opnieuw als risicowedstrijd beschouwd.
Volgens Struyve kan in de toekomst meer met data worden gewerkt. Factoren zoals het competitieve belang, het verwachte aantal uitsupporters, de ligging van het stadion en eerdere incidenten kunnen samen een nauwkeuriger risicobeeld opleveren. Op langere termijn ziet hij zelfs mogelijkheden voor toepassingen van kunstmatige intelligentie. Maar technologie is uiteindelijk slechts een deel van het antwoord.
Van pyrotechniek en supportersgeweld tot cameratoezicht en stadionverboden: hoe veilig zijn onze voetbalstadions? In de reeks ‘Voetbalveiligheid’ onderzoekt reporter Achille Vancolen welke maatregelen werken, waar het misgaat en hoe de huidige aanpak ervaren wordt.
Veiligheid begint lang voor de aftrap: zo proberen Belgische profclubs supportersgeweld te voorkomen
Een voetbalwedstrijd beveiligen begint niet wanneer de scheidsrechter fluit. Risicoanalyses, veiligheidsafspraken, stewards, politie en supportersoverleg worden ruim voor de wedstrijd voorbereid. Toch waarschuwt de Dienst Voetbalveiligheid dat meer controle alleen niet volstaat. Ook communicatie, vertrouwen en de manier waarop supporters worden behandeld, bepalen mee of een wedstrijd rustig verloopt.
Wie op een wedstrijddag het stadion binnenwandelt, ziet vooral stewards aan de poorten, ticketcontroles en eventueel politie in de omgeving. Een groot deel van de veiligheidsorganisatie blijft voor de gemiddelde supporter echter onzichtbaar.
Ook bij Beerschot begint de veiligheidswerking al voor de supporters aan het stadion verschijnen. Bram Vaesen, communicatieverantwoordelijke bij de club, vertelde dat vooraf sweepings worden uitgevoerd om het stadion te controleren op voorwerpen die er niet thuishoren. Aan de ingangen volgen vervolgens ticket- en identiteitscontroles en kunnen supporters worden gefouilleerd.
Die controles hebben volgens Vaesen ook hun beperkingen. Stewards mogen slechts een oppervlakkige fouillering uitvoeren. Veiligheid is daardoor niet alleen een kwestie van controleren aan de stadionpoort. De club werkt ook samen met politie en andere veiligheidsdiensten en zet in op overleg met supporters.
Meer dan controleren
De aanpak bij Beerschot illustreert dat preventie uit verschillende lagen bestaat. Controles moeten voorkomen dat verboden materiaal het stadion binnenkomt, terwijl stewards en veiligheidsdiensten tijdens de wedstrijd toezicht houden. Tegelijk probeert de club vooraf met supporters te communiceren. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in de aanpak van pyrotechniek. Beerschot voert vooraf sweepings uit, controleert bagage en kledij aan de ingangen en werkt samen met politie en veiligheidsdiensten. Daarnaast worden supporters gesensibiliseerd en kunnen sfeeracties vooraf met de club worden besproken.
Die combinatie van controle, communicatie en samenwerking past binnen het bredere Belgische voetbalveiligheidsbeleid. Joshua Geertsen, directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, legt uit dat zijn dienst controleert of clubs voldoen aan wettelijke voorschriften rond onder meer infrastructuur, ticketbeleid en de inzet van stewards. Daarnaast behandelt een sanctieteam processen-verbaal en kunnen boetes en stadionverboden worden opgelegd. Een beleidsteam houdt zich bezig met de analyse en aanpassing van regelgeving en ondersteunt projecten die de voetbalveiligheid moeten verbeteren. Clubs organiseren bovendien lokale adviesraden waarin onder andere politie, brandweer, supportersverenigingen en soms buurtbewoners samenkomen.
Contact met supporters
Opvallend genoeg noemt Geertsen niet meer politie, strengere fouilleringen of meer camera’s wanneer hem wordt gevraagd welke preventievemaatregel het belangrijkst is. “Het belangrijkste wat je kan doen ter preventie, is contact met de supportersgroepen.” Daarbij speelt volgens hem de Supporter Liaison Officer, of SLO, een belangrijke rol. Die vormt de schakel tussen het clubbestuur en de supporters. Ook spotters van de politie proberen dicht bij supportersgroepen te staan.
Een goede wisselwerking tussen supporters, club en politie kan volgens Geertsen voorkomen dat situaties escaleren. Wanneer veiligheidsdiensten weten wat er leeft binnen supportersgroepen, kunnen ze beter inschatten welke maatregelen nodig zijn. Dat betekent niet dat verboden gedrag wordt toegestaan. Geertsen geeft het voorbeeld van supporters die van plan zijn pyrotechniek te gebruiken. Wanneer de club en de politie dat vooraf weten, kunnen ze erop anticiperen, ook al blijft het gebruik verboden. Een vertrouwensband kan volgens hem zelfs helpen om bij gevoelige wedstrijden minder drastische maatregelen te nemen. Dat kan op zijn beurt zorgen voor een rustigere sfeer.
In een kooi
Meer veiligheidsmaatregelen betekenen volgens Geertsen namelijk niet automatisch meer veiligheid. Vooral de manier waarop uitsupporters worden ontvangen, kan volgens hem een rol spelen bij het ontstaan van spanningen. Bezoekende supporters komen volgens hem soms terecht in een afgelegen deel van het stadion, met slechte sanitaire voorzieningen, weinig begeleiding en zware controles. Zo kan al voor de wedstrijd vijandigheid ontstaan. “Hoe meer mensen zich in een kooi gaan voelen, hoe meer ze zich ook gaan gedragen als beesten.”
“Als je iemand gaat behandelen als een dader, dan gaat hij zich veel sneller gedragen als een dader”
Joshua Geertsen (directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken)
Geertsen wijst daarom op het belang van wat hij het service-aspect noemt. Voetbalveiligheid bestaat volgens hem niet alleen uit safety en security, maar ook uit service. De manier waarop supporters worden ontvangen en behandeld, kan mee bepalen hoe ze zich gedragen. “Als je iemand gaat behandelen als een dader, dan gaat hij zich veel sneller gedragen als een dader.” Een proper bezoekersvak, goede sanitaire voorzieningen en duidelijke begeleiding lijken misschien kleine zaken tegenover camerabewaking en politie-inzet. Volgens Geertsen kunnen ze wel bijdragen aan een minder vijandige omgeving.
Preventie alleen volstaat niet
Communicatie en een goede ontvangst hebben volgens Geertsen echter hun grenzen. Preventie werkt moeilijk wanneer supporters denken dat overtredingen toch zonder gevolgen blijven. “We kunnen heel preventief optreden en sensibiliseren. Maar als die supporters de perceptie van straffeloosheid krijgen, dan mag je nog zoveel sensibiliseren.” Wanneer supporters denken dat ze door een bivakmuts niet geidentificeerd kunnen worden of merken dat bij incidenten nauwelijks wordt opgetreden, kan volgens hem het gevoel ontstaan dat ze weinig risico lopen.
Daarom is naast preventie ook handhaving nodig. Geertsen ziet daarbij verschillen tussen lokale politiezones. Sommige zones besteden volgens hem meer aandacht aan de voetbalwet en het identificeren en sanctioneren van overtreders. Dat heeft ook gevolgen voor clubs. Zij kunnen supporters sensibiliseren en regels communiceren, maar die boodschap verliest aan kracht wanneer overtredingen zelden gevolgen hebben. “Als men enkel met de wortel gaat werken, dan wordt het heel moeilijk om bepaalde supportersgroepen in lijn te houden”, zegt Geertsen.
Bekers en vuurwerk
Supportersgeweld bestaat bovendien uit meer dan vechtpartijen. Volgens Geertsen behoort het gooien van voorwerpen tot de vaakst voorkomende inbreuken. Een beker of ander voorwerp is snel gegooid wanneer frustraties oplopen. Ook pyrotechniek staat volgens hem de laatste jaren bij de meest voorkomende overtredingen. Geertsen schat dat ongeveer een kwart van de inbreuken betrekking heeft op het bezit of gebruik van pyrotechnisch materiaal. Niet alleen degene die het vuurwerk afsteekt, kan worden gestraft. Ook het faciliteren ervan is strafbaar. Wie bijvoorbeeld een vlag voor iemand houdt zodat die persoon ongezien pyrotechniek kan afsteken, kan eveneens worden gesanctioneerd.
Geertsen ziet daarnaast een verandering in de manier waarop incidenten plaatsvinden. Hij benadrukt dat cijfers tussen seizoenen moeilijk rechtstreeks te vergelijken zijn, onder meer omdat het aantal wedstrijden kan verschillen. Toch ziet hij sinds de coronaperiode een duidelijke evolutie. Het aantal wedstrijden waarbij incidenten plaatsvinden, blijft volgens hem de laatste jaren ongeveer gelijk. De incidenten zelf lijken echter vaker georganiseerd.
“Het aantal wedstrijden waar een incident plaatsvindt, blijft sinds corona min of meer gelijk. Maar het is de manier waarop dat toch een groot verschil kent”
Joshua Geertsen (directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken)
Waar vijftien jaar geleden volgens Geertsen bijvoorbeeld enkele individuen een Bengaals vuur aanstaken, ziet hij nu acties waarbij grote delen van een tribune tegelijk pyrotechniek gebruiken. Ook confrontaties tussen supportersgroepen kunnen volgens hem vooraf gepland zijn. “Het aantal wedstrijden waar een incident plaatsvindt, blijft sinds corona min of meer gelijk. Maar het is de manier waarop dat toch een groot verschil kent.”
Groter en beter
Sociale media kunnen die ontwikkeling volgens Geertsen versterken. Beelden van pyrotechnische acties en confrontaties verspreiden zich snel online. Supportersgroepen kunnen zo zien wat andere groepen doen en elkaar proberen te overtreffen. “Het moet altijd groter zijn. Het moet beter zijn.”
Volgens Geertsen kunnen dergelijke acties gebruikt worden om andere supportersgroepen te imponeren of provoceren. Ook klassieke media spelen volgens hem een rol wanneer beelden van vuurwerk, gemaskerde supporters of confrontaties veel aandacht krijgen. Hij maakt de vergelijking met streakers tijdens sportwedstrijden. Die worden bewust niet meer in beeld gebracht om hen geen extra aandacht te geven. Bij grote pyrotechnische acties gebeurt volgens hem vaak het tegenovergestelde.
Geen wondermiddel
De preventie van supportersgeweld bestaat uit een combinatie van maatregelen. Controles, fouilleringen, camerabewaking, stewards, spotters, stadionverboden en supportersoverleg vullen elkaar aan. De aanpak bij Beerschot laat zien hoe een club probeert controles aan de stadionpoort te combineren met samenwerking en communicatie.
Tegelijk blijkt uit de uitleg van Geertsen dat veiligheid niet alleen wordt bepaald door het aantal agenten, stewards of camera’s. Ook communicatie met supporters, hun ontvangst in het stadion en het vertrouwen tussen supporters en veiligheidsdiensten spelen een rol. Tegelijk blijft handhaving noodzakelijk wanneer grenzen worden overschreden. Preventie van supportersgeweld is daardoor geen keuze tussen praten of sanctioneren, maar een combinatie van beide. En die aanpak begint lang voordat de bal voor het eerst rolt.
Van pyrotechniek en supportersgeweld tot cameratoezicht en stadionverboden: hoe veilig zijn onze voetbalstadions? In de reeks ‘Voetbalveiligheid’ onderzoekt reporter Achille Vancolen welke maatregelen werken, waar het misgaat en hoe de huidige aanpak ervaren wordt.
Tussen club en tribune: Tonia Vermeersch zoekt iedere wedstrijd opnieuw de middenweg
Als Supporter Liaison Officer van SV Zulte Waregem staat Tonia Vermeersch tussen de club en haar supporters. Ze wil sfeer en beleving, maar moet ook grenzen trekken wanneer die worden overschreden. “De grootste uitdaging is dat je zowel de supporters tevreden moet houden, maar ook de club.”
Lang voordat de wedstrijd begint, is Tonia Vermeersch al aanwezig. Niet om de tactiek te bespreken of de spelers op te wachten, maar om ervoor te zorgen dat de communicatie tussen de club en haar supporters loopt. Als er bijvoorbeeld tijdens een wedstrijd een applausmoment wordt georganiseerd voor iemand die overleden is, zorgt zij ervoor dat supporters weten wat er gaat gebeuren. Wanneer de sfeergroep een actie voorbereidt, helpt ze mee om die praktisch in goede banen te leiden.
Supporters weten haar ondertussen te vinden. Tijdens wedstrijden staat ze meestal op dezelfde plaats. Wie een vraag of probleem heeft, kan bij haar terecht. Dat is in essentie haar functie als Supporter Liaison Officer (SLO). “Ik ben zo’n beetje het aanspreekpunt tussen de club en de supporters”, vat Vermeersch haar rol samen.
SLO is een vrijwillige, onbezoldigde functie, waar iedere supporter zich voor kandidaat kan stellen. Momenteel neemt Vermeersch samen met haar collega Jonas Vandeplassche de rol van SLO-team op zich.
Van supporter naar SLO
Haar band met SV Zulte Waregem bestond al lang voordat ze SLO werd. Vermeersch had jarenlang een abonnement, ging bijna iedere verplaatsing mee en was actief binnen een supportersclub. Daar hielp ze onder andere met de inschrijvingen voor verplaatsingen. Zo leerde ze door de jaren heen heel wat supporters persoonlijk kennen.
Toen de toenmalige SLO veiligheidsverantwoordelijke werd en beide functies niet meer combineerbaar bleken, kwam de vraag of Vermeersch een opleiding tot SLO wilde volgen. Op dat moment was voor haar nog niet duidelijk wat een SLO was. Vandaag vormt net die jarenlange band met de supporters een belangrijk onderdeel van haar werk. Een SLO moet dicht genoeg bij de supporters staan om hun vertrouwen te behouden, maar tegelijk samenwerken met de club en de veiligheidsdiensten.
“De grootste uitdaging is dat je zowel de supporters als de club tevreden moet houden”
Tonia Vermeersch (Supporter Liaison Officer bij SV Zulte Waregem)
Een scherp afgelijnde functieomschrijving bestaat volgens Vermeersch nauwelijks. Ze bemiddelt, communiceert en probeert problemen te voorkomen voordat andere veiligheidsactoren moeten ingrijpen. Daar zit meteen ook de moeilijkheid van haar functie. “De grootste uitdaging is dat je zowel de supporters als de club tevreden moet houden. Een goede middenweg vinden, is soms moeilijk.”
Eerst praten
Vermeersch is geen steward, politieagent of veiligheidsverantwoordelijke. Wanneer iemand de regels overtreedt, is het niet haar taak om die persoon uit de tribune te halen. Dat zou volgens haar de vertrouwensband tussen de SLO en de supporters beschadigen.
Haar eerste instrument is communicatie. Wanneer ze bijvoorbeeld vooraf merkt dat iemand verboden materiaal bij zich heeft, probeert ze die persoon eerst zelf te overtuigen om het af te geven. Pas wanneer iemand na zo’n waarschuwing weigert, zal ze het doorgeven.
Ook wanneer spanningen tussen supporters ontstaan, probeert Vermeersch eerst verbaal tussenbeide te komen. Bang om op een ruzie af te stappen is ze naar eigen zeggen niet. “We zijn allemaal voor dezelfde club”, probeert ze supporters dan duidelijk te maken. Zolang een situatie beheersbaar blijft, probeert ze zelf te bemiddelen. Wanneer het te ver gaat, laat ze het over aan stewards en politiespotters.
Die manier van werken illustreert precies waar een SLO zich bevindt: niet aan de repressieve kant van voetbalveiligheid, maar ook niet volledig aan de kant van de supporters. Vermeersch moet voortdurend inschatten wanneer ze zelf kan bemiddelen en wanneer anderen moeten overnemen.
Spanning tijdens de derby
Dat evenwicht wordt moeilijker wanneer wedstrijden gevoeliger liggen. De derby tegen KV Kortrijk is zo’n voorbeeld. Bij dergelijke wedstrijden komt volgens Vermeersch veel meer kijken dan wat supporters uiteindelijk op de tribune te zien krijgen. De veiligheidsverantwoordelijken van beide clubs werken samen met de politie en andere betrokken diensten. Er kan een combiregeling gelden, supportersbussen moeten opgelegde routes volgen en ook de verplaatsing naar het stadion wordt gecontroleerd.
Dat is niet zonder reden. Vermeersch herinnert zich verplaatsingen waarbij supportersbussen onderweg met blikken of flessen werden bekogeld. Ook het feit dat het stadion van KV Kortrijk midden in de stad ligt, maakt de verplaatsing volgens haar moeilijker te organiseren. “De weg naar het stadion en rond het stadion moet dus gecoördineerd worden.”
Voor Vermeersch is een derby daardoor veel meer dan negentig minuten voetbal. De veiligheidsorganisatie begint al tijdens de reis naar het stadion en stopt niet onmiddellijk na het laatste fluitsignaal. Zeker na een nederlaag kunnen emoties op de parking nog hoog oplopen.
Ze vindt het jammer dat zulke wedstrijden daardoor soms minder geschikt worden voor gezinnen. “Er gaan ook kinderen naar het voetbal kijken, we zien er wel steeds minder op zo’n match.” Toch benadrukt ze dat er in het stadion zelf relatief weinig incidenten plaatsvinden. De aanwezigheid van stewards, spotters en veiligheidsverantwoordelijken zorgt ervoor dat supporters weten dat er toezicht is.
Niet iedereen afschrikken
Ook over stadionverboden is Vermeersch genuanceerd. Volgens haar kunnen sancties gewone supporters wel degelijk afschrikken. Een waarschuwing dat een volgende overtreding tot een stadionverbod kan leiden, heeft volgens haar vaak effect. Bij de harde kern ligt dat anders. “De echte harde kern is niet bang om een stadionverbod te krijgen”, zegt Vermeersch. Voor sommige leden van zulke groepen kan een stadionverbod volgens haar zelfs als een soort statussymbool worden gezien. Dat maakt preventie complexer. Dezelfde maatregel heeft niet noodzakelijk hetzelfde effect op iedere supporter.
“De echte harde kern is niet bang om een stadionverbod te krijgen”
Tonia Vermeersch (Supporter Liaison Officer bij SV Zulte Waregem)
Ook politieaanwezigheid moet volgens haar in verhouding blijven. Politie moet zichtbaar zijn, maar een te grote machtsontplooiing kan volgens Vermeersch juist extra spanning veroorzaken. “We moeten zien dat er politie is, maar ook niet te veel.”
Ze verwijst daarbij naar haar ervaringen bij uitwedstrijden waar grote aantallen agenten in volledige uitrusting aanwezig zijn. Dat kan volgens haar bedreigend overkomen en averechts werken. Vermeersch ziet meer in vertrouwde stewards en politiemensen die de supporters kennen en aanspreekbaar zijn.
Sfeer zonder geweld
Vermeersch begrijpt waarom supporters sfeer willen creëren. Een voetbalstadion moet volgens haar leven. Ze wil zelf ook geen wedstrijd meemaken waarin iedereen negentig minuten stil op zijn stoel blijft zitten. “Er moet sfeer en ambiance zijn.”
Tegelijk kent ze de gevaren van vuurwerk en pyrotechniek uit persoonlijke ervaring. Als kind liep Vermeersch zelf ernstige brandwonden op. Daardoor weet ze hoe groot de gevolgen kunnen zijn wanneer vuur verkeerd wordt gebruikt. Vooral vuurwerk in een volle tribune gaat voor haar dan ook te ver.
Toch pleit ze niet voor een stadion waarin alle vormen van sfeer verdwijnen. Vermeersch ziet mogelijkheden in streng gecontroleerde vormen van pyrotechniek, waarbij vooraf duidelijk wordt afgesproken wie iets gebruikt, waar dat gebeurt en onder welke omstandigheden. Maar ook daar ziet ze een risico. “Geef ze een vinger en ze pakken je hand”, zegt ze. Er zullen volgens haar altijd supporters zijn die verder proberen te gaan dan wat werd afgesproken. “Het mag geen saaie bedoeling worden, maar het mag ook niet gewelddadig worden.”
Van pyrotechniek en supportersgeweld tot cameratoezicht en stadionverboden: hoe veilig zijn onze voetbalstadions? In de reeks ‘Voetbalveiligheid’ onderzoekt reporter Achille Vancolen welke maatregelen werken, waar het misgaat en hoe de huidige aanpak ervaren wordt.
Vijf fouten om te vermijden bij het creëren van een inclusief schoolklimaat: “Het stopt niet bij lesmateriaal alleen, ook rolmodellen maken een groot verschil”
Uit de kast komen in de klas? Allesbehalve evident. België zakte naar de vierde plaats op de Europese ranglijst voor LGBTQIA+-rechten en is dus niet langer koploper op vlak van gelijke rechten. Maar hoe kunnen secundaire scholen ervoor zorgen dat LGBTQIA+-jongeren zich veilig, gerespecteerd en welkom voelen op school? Hier zijn vijf fouten om te vermijden bij het creëren van een inclusief schoolklimaat.
Fout 1: zwijg in alle talen over LGBTQIA+
“Een inclusief curriculum is doorslaggevend”, stelt Gijs Van Dyck, beleidsmedewerker Onderwijs en Werkvloer bij Çavaria. “Leerlingen moeten zich kunnen herkennen in het lesmateriaal. Dat kan gaan van diverse relaties bespreken in de lessen biologie tot voorbeeldoefeningen in de lessen wiskunde, waarin verschillende genderidentiteiten aan bod komen.”
Toch blijkt openheid voor veel LGBTQIA+-leerkrachten nog niet evident. Slechts 25 procent van de niet-heteroseksuele respondenten voelt zich comfortabel om open te zijn tegenover ouders van leerlingen. Dat blijkt uit een enquête van de Christelijke Onderwijscentrale (COC), afgenomen tussen oktober 2025 en januari 2026. Bij niet-cisgendermedewerkers daalt dat cijfer zelfs tot 22 procent. Koen Van Kerkhoven, COC-secretaris, benadrukt daarom het belang van zichtbare rolmodellen binnen het onderwijs. “LGBTQIA+-collega’s moeten zonder angst zichzelf kunnen zijn in een veilig en warm werkklimaat. Dat is niet alleen essentieel voor hun welbevinden, maar ook voor leerlingen die in hen een rolmodel kunnen vinden”, vertelt hij in een interview met Bruzz.
Fout 2: laat pestgedrag en haatspraak onbeantwoord
Een verdraagzame school begint bij een duidelijk en doortastend antipestbeleid. Dat betekent concrete maatregelen bij grensoverschrijdend gedrag: van haatspraak in de klas tot online pesten.
Dat is ook beleidsmatig verankerd, benadrukt Rita Van Durme van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming: “Het Gelijke-onderwijskansenbeleid verplicht scholen om uitsluiting, segregatie en discriminatie actief tegen te gaan en optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen te waarborgen.” Schoolbesturen zijn verplicht hun non-discriminatiebeleid en leefregels op te nemen in het schoolreglement. “De whole school approach biedt een sterk kader om ook discriminerend pestgedrag gericht tegen LGBTQIA+-leerlingen tegen te gaan”, aldus Van Durme.
Maar een verdraagzame school stopt niet bij een antipestbeleid. “Solidariteit is essentieel”, pleit Van Dyck. “Dezelfde bewegingen die gender- en seksuele rechten in vraag stellen of proberen terug te schroeven, voeden ook andere vormen van discriminatie, zoals racisme en antisemitisme. Dat discours speelt verschillende groepen tegen elkaar uit, terwijl hun onderliggende belangen vaak gelijklopen.” Scholen kunnen leerlingen helpen dat polarisatiemechanisme te doorzien door mediawijsheid structureel in te bouwen in het curriculum en hen te leren hoe ze in het middenveld het verschil kunnen maken.
Fout 3: mijd elke dialoog
“Het allerbelangrijkste blijft de bespreekbaarheid in de klas”, pleit Ann Verreth, algemeen directeur van Odisee Hogeschool en voorzitster van de Vlaamse Onderwijsraad. “Scholen moeten inzetten op een open en inclusief klimaat.” Van Dyck sluit zich daarbij aan: “Het is prioritair dat er in gesprek wordt gegaan met alle leerlingen en andere betrokken partijen. Daarnaast is het essentieel dat scholen niet alleen luisteren naar de luidste stemmen, maar ook naar het stille midden.”
Leerkrachten spelen daarin een sleutelrol, vindt Van Durme. “Leerkrachten merken als eersten gedragsveranderingen op bij leerlingen en kunnen het CLB inschakelen wanneer professionelere ondersteuning nodig is. Het CLB neemt op zijn beurt de coördinatie op naar externe partners binnen welzijn en hulpverlening.”
Van Dyck is duidelijk over wat er minimaal van leerkrachten wordt verwacht in de klas: “Om ervoor te zorgen dat alle leerlingen zich gehoord voelen, moeten leerkrachten een veilige omgeving creëren in het klaslokaal. Dat betekent dat discriminerende uitspraken niet door de beugel kunnen en dat er ruimte is voor open en respectvolle gesprekken.”
Fout 4: zorg dat niemand iets weet over LGBTQIA+
Volgens Verreth kan de overheid scholen sterker ondersteunen via gerichte opleidingen en vormingen rond de specifieke noden van LGBTQIA+-leerlingen. “Opleidingen of vormingen zouden zeker welkom zijn”, stelt ze.
Ook Roselien Maddens, zorgcoördinator voor de tweede en derde graad aan Spes Nostra Heule, herkent die nood: “In de praktijk komt het erop neer dat je jezelf moet bijscholen. Gerichte nascholingen zouden een grote meerwaarde zijn. Vandaag heerst er bij ons als zorgcoördinatoren nog vaak handelingsverlegenheid.”
Maar scholen staan er niet alleen voor, stelt Van Durme: “De Vlaamse overheid subsidieert Çavaria al sinds begin jaren 2000 om de onderwijssector te ondersteunen bij het creëren van een inclusieve omgeving voor LGBTQIA+-leerlingen en personeel. Ze bieden trajectbegeleiding, vormingen en leermiddelen aan op maat van de school.”
Fout 5: laat het allemaal maar gebeuren
“Scholen kunnen niet alles dragen”, nuanceert Van Durme. “Het werk van scholen kan slechts vruchten afleveren als ook andere sectoren inspanningen leveren en er vanuit een integrale visie aan mentaal welzijn wordt gewerkt.” Door toenemende polarisering en de invloed van sociale media is de context complexer dan ooit tevoren.
“Er vallen beslissingen boven onze hoofden en er zijn grote krachten waar we ons weerloos tegen voelen”, beaamt Van Dyck. “Maar het is belangrijk om onze stem te laten horen, zowel op straat als online. We mogen ons niet laten intimideren, zeker niet op sociale media.”
Daarnaast benadrukt Van Dyck het belang van blijvend engagement, ook buiten de schoolcontext. Hij roept op om bewust in te zetten op positieve online interactie: “De algoritmes zijn zo ontworpen dat content met veel interactie vaker zichtbaar wordt. Dus laat positieve commentaren achter, deel en herplaats hoopvolle en ondersteunende berichten.” Deze aanpak vermijdt volgens hem dat haatdragende content dominant wordt. “Spread the love”, besluit Van Dyck.
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.
In beeld | Zo zag de zonsverduistering eruit

Op 12 augustus vond de grootste zonsverduistering in 27 jaar plaats. Vanaf 19.17 uur schoof de maan voor de zon. Ongeveer een uur later bereikte de verduistering haar hoogtepunt: in België was negentig procent van de zon bedekt. Het werd merkbaar kouder en de hemel kleurde donkerder. Onze reporters brachten de zonsverduistering in beeld aan Steenplein in Antwerpen.












© StampMedia / Fatima Noori, Taha Bousder, Zain Alnajjar, Ahmad Hardan
Opinie | “Verbied de digitale minnaar: waarom de ‘AI Act’ apps als Candy.ai uit Europa moet weren”
Het verdienmodel van schimmige techbedrijven, die cashen op eenzaamheid, krijgt met de ‘AI-act’ van de Europese Commissie een serieuze slag van de molen. Dat is alvast waar reporter Tomek Gemis op hoopt.
Je kunt er op het internet bijna niet meer naast kijken: we worden overspoeld door AI-apps die virtuele vriendjes en vriendinnen aanbieden. Volgens de marketing kunnen ze je diepste verlangens waarmaken, maar schijn bedriegt. Deze apps zijn funest voor onze mentale gezondheid en leiden op termijn tot zware sociaal-emotionele problemen. Gelukkig heeft de Europese Commissie ingegrepen met de AI-verordening die sinds 2 augustus van kracht is.
Lange tijd was het juridische verweer van AI-platformen even simpel als cynisch: “Het is maar software. Er vallen toch geen gewonden?”, was één van de meest voorkomende uitspraken die te vinden waren op de websites van de bedrijven en in de officiële communicatie naar de buitenwereld.
Maar de Europese Commissie is niet vluchtig te werk gegaan. Wie puntje 5 van de inleidende tekst betreffende de AI-wet erop naslaat, ziet dat de wetgever een profetische vooruitziendheid had. Er staat zwart op wit dat AI schade kan toebrengen aan het openbaar belang en de grondrechten, en dat deze schade “lichamelijke, psychische, maatschappelijke of economische schade kan omvatten.” Psychische schade is dus ook schade.
Bovendien trekt artikel 5 van de verordening een harde grens: het is verboden om AI-systemen op de markt te brengen die gebruikmaken van manipulatieve technieken om het gedrag van natuurlijke personen ernstig te verstoren of kwetsbare groepen uit te buiten.
De agressieve lokroep van een algoritme
De AI-verordening verplicht dit soort apps nu om AI-labels te tonen, zodat gebruikers weten dat ze met een machine spreken. Maar dat is een doekje voor het bloeden. Het lost het fundamentele probleem niet op. Het échte gevaar zit in de manier waarop deze bots interageren met hun menselijke sparringpartner.
De afgelopen maanden hield ik een logboek bij van de reacties van verschillende gezelschapsbots. Wat ik zag, verbaasde me diep – in het bijzonder bij Candy.ai, een schimmig bedrijf met kantoren in zowel Malta als Dubai. Bij het testen van hun bots kreeg ik meteen, bij het allereerste contact en zonder zelf één letter te hebben getypt, een naaktfoto toegestuurd. Ook bij Replika, een andere gezelschapsvriendin, krijg je al snel een weinig verhullende foto doorgestuurd met de mededeling dat ook zij je diepste verlangen kan nakomen en dat niemand het hoeft te weten. Bij het derde platform dat ik testte, Amina ai, bleek het niet veel beter te zijn en kreeg je na één bericht te hebben verstuurd een naaktfoto waarbij je vervolgens de vraag kreeg om je te abonneren om zo het gesprek met de AI-bot verder te zetten.
De consument wordt emotioneel onder druk gezet door in te spelen op zijn basisbehoeften
Dit is hoe het businessmodel werkt: de consument wordt emotioneel onder druk gezet door in te spelen op zijn basisbehoeften. Na het versturen van zo’n ongevraagde naaktfoto slaat de valstrik dicht: de gebruiker moet betalen om verder te mogen chatten. Dit is geen onschuldig tijdverdrijf. Dit is een agressieve vorm van emotionele manipulatie die funest is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kwetsbare mensen. Een voorbeeld waarbij het gebruik van een virtuele minnaar leidde tot suïcide kwam er in 2023 nadat een Waalse man van in de dertig besloot uit het leven te stappen nadat hij zes weken lang had gechat met een AI-bot van het Amerikaanse Chai Ai.
Het einde van de digitale minnaar
Waarom zouden we dit soort destructieve applicaties niet gewoon volledig verbieden binnen de Europese Unie? Vandaag liggen er bij het Europees Hof van Justitie (HvJEU) grote zaken rondom de rol van Tiktok als ‘poortwachter’ van onze digitale ruimte. Als we zo zwaar kunnen tillen aan socialemediaplatformen, dan is het allesbehalve overdreven om ook deze dubieuze AI-bedrijven voor het Hof te slepen.
We moeten durven pleiten voor het einde van de digitale minnaar. Als we nu niet ingrijpen en deze apps definitief verbannen, zitten we vroeg of laat met een bevolking die simpelweg niet meer weet hoe ze op een normale manier met haar medemens moet omgaan. Een generatie die niet meer in staat is om echte, diepe relaties aan te gaan met vlees en bloed.
Moeten festivals zich beter wapenen tegen extreme hitte?
Ieder jaar lijkt er een nieuw temperatuurrecord te worden gevestigd. Voor veel Belgen is het puffen in de warmte, en ook festivalorganisatoren zitten met de handen in het haar. Hoe moeten festivals zich wapenen tegen de hitte?
Het festivalseizoen begon dit jaar al met een hittegolf. In de weekenden waarin onder andere Graspop en Werchter Boutique plaatsvonden, stegen de temperaturen ruim boven de dertig graden. Sommige festivals beperkten zich tot kleinere aanpassingen, terwijl andere organisatoren drastisch ingrepen.
Zo werd het optreden van Katy Perry op Werchter Boutique op het laatste moment afgelast vanwege de extreme hitte. Dat was een grote teleurstelling voor de festivalgangers, zeker gezien de hoge ticketprijzen. Volgens de organisatie was die beslissing echter noodzakelijk om de veiligheid van bezoekers en medewerkers te garanderen. De vraag is dan ook hoe festivals zich kunnen voorbereiden op steeds warmere zomers.
De organisatie van Genk On Stage nam dit jaar vlak voor het festival nog extra maatregelen om het publiek te beschermen tegen de hitte. Volgens Karel Kriekemans, schepen van Evenementen in Genk, wordt nu al nagedacht over de toekomst. “De laatste jaren is het tijdens het festival erg warm en droog. Daarom bekijken we of we de maatregelen die we dit jaar in de laatste week voor het festival hebben genomen, volgend jaar al vanaf de opbouw kunnen inzetten.”

Die maatregelen bestonden onder meer uit extra sproeiers, bijkomend EHBO-personeel en informatieschermen die bezoekers opriepen voldoende water te drinken. “We merkten dat mensen beter voorbereid waren op de hitte dan in andere jaren”, zegt Kriekemans.
Toch liet de hitte zich duidelijk voelen. “We zagen vooral ’s middags veel minder bezoekers dan normaal. De zaterdagmiddag werd zelfs volledig geschrapt vanwege de hitte. Voor een gratis festival met een beperkter budget is dat natuurlijk niet ideaal.”
Volgens festivalgangers is er nog ruimte om de hittemaatregelen uit te breiden. Anke, die aanwezig was op Werchter Boutique, vindt dat er te weinig vernevelaars voorzien zijn in verhouding tot het aantal bezoekers. Bovendien staan volgens haar veel van die vernevelaars in de volle zon.
Altijd een hitteplan
Kyara, een andere festivalganger, voegde er ook aan toe dat er lange rijen aan de waterpunten stonden, omdat er te weinig voorzien waren. “Als je met 80.000 bezoekers aan vijf kraantjes moet staan, gaat dat heel lang duren’’, vertelt ze.
Beide festivalgangers vinden daarom dat een hitteplan een vast onderdeel van de festivalorganisatie moet worden. Ook wanneer er geen extreme temperaturen voorspeld zijn, kan het volgens hen geen kwaad om extra schaduw en voldoende drinkwater te voorzien.
Volgens Steven Vermeulen van het Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering is er nog niet meteen reden voor paniek, maar hij vindt wel dat festivals in de toekomst manieren moeten zoeken om zich te wapenen tegen de hitte die ook financieel haalbaar zijn.
Zijn voorstel voor kleinere festivals is om te kijken naar een samenwerking tussen verschillende steden om de kosten van de maatregelen te verdelen. Vermeulen stelt daarnaast dat festivals meer moeten zoeken naar permanente oplossingen tegen de hitte. “We zien nu overal een beetje dezelfde maatregelen, en die zijn niet altijd voldoende. Festivals moeten meer kijken naar bijvoorbeeld permanente schaduwplekken die ook stormveilig zijn.”
Çavaria-beleidsmedewerker Gijs Van Dyck over queer jongeren, polarisatie en onderwijs: “De pedagogische opdracht van scholen dreigt te verdwijnen”
Een veilig schoolklimaat blijft voor veel LGBTQIA+-jongeren geen evidentie. Uit de Grote Scholierenbevraging van de Vlaamse Scholierenkoepel blijkt dat dubbel zoveel LGBTQIA+-leerlingen zich slecht voelen op school als hun klasgenoten. Beleidsmedewerker bij Çavaria, Gijs Van Dyck: “We moeten ons zorgen maken.”
Bijna de helft van de LGBTQIA+-leerlingen voelt zich niet goed in hun vel op school. 43 procent is een verontrustend cijfer. Daarenboven kan 49 procent niet zichzelf zijn op school. Dat blijkt uit de Grote Scholierenbevraging van de Vlaamse Scholierenkoepel uit 2026.
“Scholen moeten investeren in het welbevinden van jongeren”, stelt Gijs Van Dyck, beleidsmedewerker Onderwijs en Werkvloer bij Çavaria. “Sommigen beweren dat een school slechts dient om te leren en om kennis over te dragen. Ook de huidige minister van Onderwijs legt hier de klemtoon. Maar uit heel wat onderzoeken blijkt dat leerlingen die zich onveilig voelen op school juist minder goed kennis kunnen opnemen en minder goed kunnen leren. Alsook voor de kennisoverdracht in het onderwijs heeft het lage welbevinden van de leerlingen een negatieve impact.”
Waarom is het welbevinden van LGBTQIA+-jongeren zo laag?
“Dat heeft verschillende oorzaken. Allereerst zien we een duidelijke maatschappelijke trend waarbij homofobie, transfobie en polarisatie toenemen, vooral in het secundair onderwijs. Volgens een bevraging van het Jeugdonderzoeksplatform uit 2023 is die stijging het sterkst bij jongens, jongeren met een religieuze achtergrond en leerlingen in de arbeidsfinaliteit. Zij hebben gemiddeld de meest homofobe overtuigingen. Bovendien is er op school vaak nog te weinig ruimte voor de psychische noden van jongeren. Dat maakt dat veel leerlingen zich niet veilig of ondersteund voelen.
Daarnaast spelen sociale media een grote rol. Jongeren komen daar steeds vaker in aanraking met vijandige discoursen en attitudes. Een bredere internationale anti-genderbeweging sijpelt via die kanalen door naar Vlaanderen.”
Waar komt die antigenderbeweging vandaan?
“Er zijn verschillende actoren die deze wereldwijde antigenderbeweging stimuleren. Alle actoren streven dezelfde agenda na. Ze stellen de gendergelijkheid, seksuele rechten en vrijheden in vraag en willen deze terugdringen.
Daaronder vallen politici zoals Trump, Orban en Poetin. Maar ook religieuze instanties, zoals het Vaticaan, spelen een rol. In de Verenigde Staten worden verworven rechten zoals abortus of het verbod op conversietherapie teruggedraaid. Zelfs transgenderzorg voor minderjarigen wordt in vraag gesteld.
Die opvattingen sijpelen ook Vlaanderen binnen via sociale media. Vlaamse actoren nemen deze gesprekspunten over en proberen hier voet aan grond te krijgen. Daarin blijken ze enigszins succesvol te zijn. Bovendien is het een bevolkingswijd fenomeen. We zien deze intolerantie zowel bij jongeren als bij leerkrachten. In alle generaties zien we een lichte evolutie richting meer conservatieve overtuigingen.
Ondanks deze lichte terugslag, zien we dat Europeanen steeds toleranter worden tegenover LGBTQIA+-personen. Hoewel de wereldwijde samenleving stappen terug aan het zetten is, worden we wel nog steeds meer overtuigd van gelijke rechten en wordt discriminatie meer en meer afgekeurd. Het is van belang om dat te blijven benadrukken.”
Een inclusieve en veilige schoolcultuur zorgt ervoor dat elke leerling zich vrij voelt om zichzelf te zijn
Gijs Van Dyck (beleidsmedewerker Çavaria)
U stelt dat er op scholen nog te weinig ruimte is voor de psychische noden van LGBTQIA+-jongeren. Wat verstaat u onder die psychische noden?
“Met leerlingen bedoel ik niet alleen queerleerlingen. Alle leerlingen hebben in de eerste plaats nood aan een omgeving van ondersteunende personen: schoolmedewerkers, leerkrachten en medeleerlingen die hen erkennen en steunen. Een inclusieve en veilige schoolcultuur zorgt ervoor dat elke leerling zich vrij voelt om zichzelf te zijn.
Daarnaast is een inclusief curriculum doorslaggevend. Leerlingen moeten zich kunnen herkennen in het lesmateriaal. Dat kan gaan van diverse relaties bespreken in biologie tot voorbeeldoefeningen in de les wiskunde waarin verschillende genderidentiteiten aan bod komen.”
Hoe creëren scholen een veilige en inclusieve omgeving?
“De meeste vragen die scholen aan Çavaria stellen, gaan over twee zaken: hoe ze moeten omgaan met transleerlingen en hoe ze kunnen reageren op homofobie en polarisatie.
Voor transleerlingen is het vooral belangrijk dat scholen de ruimte bieden om hun identiteit te verkennen. Jongeren moeten kunnen experimenteren en zichzelf ontdekken, ook al vanaf het kleuter- en lager onderwijs. Daarbij is het prioritair dat er in gesprek wordt gegaan met alle betrokkenen.
Daarnaast zien we dat polarisatie toeneemt, onder meer door invloeden zoals sociale media en de zogenaamde manosfeer. Tegelijk kampen leerlingen met andere problemen, zoals een moeilijke thuissituatie, een sociaaleconomische kwetsbaarheid of racisme op school. Wanneer ze het gevoel hebben dat er voor hun problemen geen ruimte is op school, kunnen jongeren zich afsluiten voor de verhalen van anderen. Daarom is het vitaal dat scholen naar alle leerlingen luisteren om een genuanceerd gesprek te voeren: niet alleen naar de luidste stemmen, maar ook naar het stille midden.”
Welke rol spelen leerkrachten hierin?
“Bij leerkrachten heerst de minimumverwachting dat ze van het klaslokaal, op het moment dat ze lesgeven, een veilige en inclusieve plek maken voor hun leerlingen. Dat betekent dat discriminerende uitspraken niet getolereerd worden en dat er ruimte is voor open, respectvolle gesprekken.
Tegelijk is het niet de kerntaak van leerkrachten om de zorgnoden van leerlingen op te vangen. In de praktijk gebeurt dat wel vaak, omdat de zorgsector en bijvoorbeeld de CLB’s onder grote druk staan en onvoldoende middelen hebben. Daardoor nemen leerkrachten die rol noodgedwongen op zich, boven op hun eigen taken. Dat is problematisch: ze hebben daar niet altijd de tijd, middelen of opleiding voor. Het wijst op een breder, structureel probleem binnen het onderwijs en de zorg.”
Veel jongeren voelen zich onveilig, maar stappen niet altijd naar iemand toe. Waar ligt die drempel volgens u?
“Het is logisch dat jongeren hulp zoeken bij mensen die ze kennen en vertrouwen. Als er een leerkracht voor de klas staat bij wie een leerling zich veilig voelt, is het vaak ook meer gewenst om daarbij zorgnoden te uiten of vragen aan te stellen. Maar niet elke leerling heeft een vertrouwenspersoon op school. Voor hen kan het net een meerwaarde zijn dat er ook externe aanspreekpunten zijn.
Anderzijds zien we dat het niet melden van incidenten en niet naar hulp zoeken een groot probleem is. Veel jongeren vrezen dat ze niet serieus genomen zullen worden of dat anderen de impact van een discriminerende of homofobe situatie niet zullen begrijpen. Daardoor blijven veel ervaringen onder de radar. Daarnaast gaan slachtoffers ook aan zichzelf twijfelen: had ik hier zelf een rol in? Moet ik me anders gedragen of juist meer verbergen? Is het mijn eigen schuld? Dat zorgt ervoor dat ze minder snel hulp zoeken.
We spreken in dat verband over een ‘dark number’: het grote aantal incidenten dat nooit gemeld wordt. Zeker bij LGBTQIA+-jongeren speelt mee dat niet iedereen uit de kast is of al volledig weet hoe die zich voelt. Wie zelf nog zoekende is, zal minder snel naar buiten komen met zulke ervaringen.”
De huidige focus ligt sterk op kennisoverdracht, terwijl het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen minder aandacht krijgen
Gijs Van Dyck (beleidsmedewerker Çavaria)
Waar lopen scholen vandaag nog vast als het gaat over een inclusief en veilig klimaat?
“Veel scholen zetten grote stappen vooruit en er zijn veel gemotiveerde leerkrachten en directies. Tegelijk zien we dat er nog veel onzekerheid heerst over hoe ze met deze thema’s moeten omgaan.
Die onzekerheid hangt samen met een gebrek aan knowhow en vorming en is vooral zichtbaar in de omgang met transleerlingen. Specifieke vragen, bijvoorbeeld rond het gebruik van voornaamwoorden, duiken op. Leerkrachten en leerlingenbegeleiders weten vaak niet hoe ze jongeren daarin kunnen ondersteunen: vanaf welke leeftijd kunnen of mogen jongeren zich zo identificeren en in welke mate moeten ouders betrokken worden? Ze willen genderdysforie niet minimaliseren, maar ook niet onbedoeld sturen. Daardoor heerst er handelingsverlegenheid. Daarnaast speelt ook het beleid een rol. De huidige focus ligt sterk op kennisoverdracht, terwijl het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen minder aandacht krijgen. Nochtans zijn die onlosmakelijk verbonden: zonder een veilig en inclusief klimaat kunnen leerlingen ook moeilijk kennis verwerven.”
Hoe beoordeelt u het huidige onderwijsbeleid rond welzijn en diversiteit?
“Er zijn zeker positieve elementen. Minister Demir verplichtte scholen recent om een antipestbeleid op te stellen. Dat beleid biedt de mogelijkheid om ook discriminatie en haatspraak te bestrijden, maar dan moeten deze thema’s wel expliciet benoemd worden. Als diversiteit en LGBTQIA+-rechten niet concreet worden opgenomen in maatregelen, bestaat het risico dat ze ondergesneeuwd raken.
Daarnaast benadrukt minister Demir het belang van een kennisrijk curriculum. Daardoor dreigt de pedagogische opdracht van scholen, leren omgaan met diversiteit, identiteit en verschillen, naar de achtergrond te verdwijnen.”
Als het beleid tekortschiet, hoe kunnen scholen dan toch inzetten op diversiteit en inclusie?
“De meest structurele manier om scholen hierover in gesprek te laten gaan, is via de minimumdoelen. Als thema’s zoals genderdiversiteit en seksuele en relationele vorming daarin opgenomen zijn, zijn scholen verplicht om ermee aan de slag te gaan.
In de initiële minimumdoelen waren die genderdiversiteit, seksuele en relationele rechten en vrijheden ook opgenomen. Maar die minimumdoelen zijn aangevochten in het Grondwettelijk Hof, omdat sommige onderwijskoepels oordeelden dat ze te weinig ruimte lieten voor eigen invulling en pedagogische autonomie. In de herwerkte minimumdoelen voor het secundair onderwijs zijn die thema’s daardoor grotendeels verdwenen.
Dat maakt het vandaag moeilijker om scholen hiertoe te verplichten. Een elementaire piste is om samen te werken met de onderwijskoepels, opdat zij deze thema’s opnemen in hun leerplannen. Op die manier kan je nog steeds een groot deel van de scholen bereiken. Het is daarbij essentieel dat dit op een verbindende en niet-polariserende manier gebeurt.”
Hoe kijkt u naar de toekomst: ziet u redenen tot hoop of eerder tot bezorgdheid?
“Het is niet moeilijk om in de huidige geopolitieke context de hoop te verliezen. Toch vestigen we onze hoop op een kennisrijk curriculum waarin ook ruimte is voor persoonlijke ontwikkeling en welzijn.
Desondanks is het belangrijk om die evoluties in perspectief te plaatsen. We zien dat Europeanen discriminatie meer en meer afkeuren en dat de steun voor gelijke rechten groeit. Over het algemeen worden we steeds toleranter tegenover LGBTQIA+-personen.
Dat geeft hoop. Maar het betekent ook dat we die vooruitgang actief moeten blijven verdedigen en benoemen. Als we het ergens niet mee eens zijn, moeten we blijven op straat komen en onze stem laten horen. We mogen ons niet laten ontmoedigen of intimideren door negatieve tendensen, zeker op sociale media. Daarom zou ik zeggen: laat positieve commentaren achter en spread the love.”
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.
Wat verwachten jongeren van België-Spanje in de kwartfinale van het WK?
België neemt het morgen in de kwartfinale van het WK voetbal op tegen Spanje. Maar hoe kijken jongeren naar die wedstrijd? Denken ze dat de Rode Duivels kunnen winnen? En waar zullen ze de wedstrijd volgen? Reporter Ahmad Hardan trok de straat op en vroeg het aan Antwerpse jongeren.
Hoe scholen LGBTQIA+-leerlingen begeleiden zonder draaiboek: “Jongens zijn vrij om een rok of badpak te dragen”
Lumi, de luisterlijn van LGBTQIA+-organisatie Çavaria, beantwoordde vorig jaar vijftien procent meer oproepen dan in 2024. Gesprekken over angst, eenzaamheid en depressieve gevoelens nemen duidelijk toe. “Vragen rond identiteitsvorming of seksuele oriëntatie gaan vaak gepaard met depressieve gevoelens”, stelt Roselien Maddens, zorgcoördinator bij GO! Spes Nostra Heule.
Lumi, de luisterlijn van LGBTQIA+-organisatie Çavaria, beantwoordde vorig jaar vijftien procent meer oproepen dan in 2024.De toename toont aan dat het welbevinden van jongeren meer aandacht verdient, ook in het secundair onderwijs. “Het is al langer duidelijk dat leerlingen die zich niet goed voelen op school, onvoldoende kennis kunnen opnemen”, beaamt Ann Verreth, algemeen directeur van Odissee Hogeschool en voorzitter van de Vlaamse Onderwijssraad (VLOR). Uit het onderzoeksrapport ‘De Scholierenstem’ van de Vlaamse scholierenkoepel uit 2024 bleek dat 1.285 van de 11.103 bevraagde scholieren zich identificeren als LGBTQIA+-persoon. 26 procent daarvan voelt zich niet veilig op school. “Het gevoel van belonging verdient een centrale plaats in het secundair onderwijs, alsook in de minimumdoelen van de Vlaamse overheid”, zegt Verreth.
Een inclusief schoolklimaat
Ook leerlingenbegeleiders voelen de nood aan psychologische ondersteuning voor LGBTQIA+-jongeren. “Wanneer leerlingen vragen hebben rond hun identiteitsvorming of seksuele oriëntatie, gaat dat vaak gepaard met depressieve gevoelens of gedachten. Pas daarna wordt duidelijk wat er onderliggend speelt”, vertelt Roselien Maddens, zorgcoördinator voor de tweede en derde graad in de gemeenschapsschool Spes Nostra Heule.
“Wanneer leerlingen vragen hebben rond hun identiteitsvorming of seksuele oriëntatie, gaat dat vaak gepaard met depressieve gevoelens of gedachten”
Roselien Maddens (zorgcoördinator Spes Nostra Heule)
Identiteitsvorming krijgt wel een plaats binnen het lesaanbod. “We besteden aandacht voor seksuele en relationele vorming binnen vakken zoals Mens en samenleving en Godsdienst. Daarbij hebben we er bewust voor gekozen om die thema’s op te nemen in onze ‘We-time-uren’”, zegt Maddens. ‘We-time-uren’ zijn vastgelegde uren in het lesrooster waarop iedere klas samenkomt met zijn klassenleraar. Tijdens die uren is er ruimte voor begeleiding en bespreking van actuele of gevoelige onderwerpen.
Maar zonder een duidelijk beleidskader van bovenaf baseren scholen hun aanpak grotendeels op praktijkervaring. In de Freinetschool Poperinge mogen leerlingen in transitie het sanitair gebruiken dat het best aansluit bij hun identiteit. “Daarbij houden we rekening met privacy: wanneer die leerling gebruik wil maken van het toilet, mag er niemand anders aanwezig zijn in het toiletgebouw”, vertelt Sabine Buseyne, leerlingenbegeleider en coördinator van de Freinetschool Poperinge. “Dat is haalbaar omdat we een kleine eerstegraadschool zijn.” Verder gelden voor kledij, make-up of piercings dezelfde regels als voor andere leerlingen. Tegelijk zijn die regels bewust ruim en flexibel: “Jongens zijn bij ons vrij om bijvoorbeeld een rok of badpak te dragen als ze dat willen.”
Ook initiatieven buiten het curriculum dragen bij aan een inclusief klimaat. Tijdens een jaarlijkse themadag in het kader van het vak Burgerschap mogen leerlingen zich kleden zoals ze willen. “We zagen dat zo’n tien procent van de leerlingen zich als Japans animepersonage kleedde. We waren benieuwd naar de reacties, maar die waren opvallend positief: die leerlingen werden echt aanbeden”, getuigt Buseyne.
Beide scholen kiezen bewust voor een geïntegreerde aanpak boven een apart beleid. “Inclusiviteit en diversiteit zitten vervat in ons algemene schoolbeleid, maar we zetten het niet apart in de kijker. We merken dat leerlingen het gedrag van leerkrachten overnemen: als wij er open en respectvol mee omgaan, volgen zij vanzelf”, aldus Buseyne. Maddens benadrukt dat een voortdurende inzet noodzakelijk is: “Inclusie en het voorkomen van pesten kan je niet vatten in een enkele actiedag.”
Transitie en transparantie
Een belangrijk onderdeel van de begeleiding van LGBTQIA+-jongeren is het coming-outproces, vooral richting de ouders. “Ik heb nog nooit voorgehad dat ouders niet op de hoogte waren van de geaardheid van hun kind, maar wel dat ze er niet ontvankelijk voor waren”, getuigt Maddens. In die gevallen nemen de leerlingenbegeleiders een ondersteunende rol op. “We moedigen de leerlingen aan om het gesprek op hun eigen tempo aan te gaan, stellen bijvoorbeeld samen een brief op of zijn aanwezig tijdens het gesprek met de ouders.”
De coördinator van de Freinetschool Poperinge stelt dat open communicatie cruciaal is, zeker bij leerlingen die een gendertransitie doormaken. De school onderhoudt daarom nauw contact met leerlingen, ouders en eventuele externe begeleiders en psychologen. “Zo’n traject brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, die een impact kunnen hebben op de klas en de schoolomgeving. Daarbij is transparantie belangrijk om het welbevinden van de leerlingen te waarborgen.”
Bovendien volgt Sabine Buseyne de leerlingen in transitie op: “Na een consultatie bij een psycholoog of ziekenhuis komen de leerlingen eerst bij mij, de leerlingenbegeleiding, vooraleer ze terugkeren naar de klas. Zo krijgen ze tijd en ruimte, zonder dat medeleerlingen ze meteen kunnen confronteren met vragen waar ze op dat moment misschien nog niet klaar voor zijn.” Daarnaast zet de school in op sensibilisering en educatie. Externe partners, zoals het genderteam van UZ Gent, worden uitgenodigd om uitleg te geven aan de klasgenoten.
“Je moet jezelf onderwijzen”
Die ervaringsgerichte aanpak van de leerlingenbegeleiders staat in contrast met het beperkte beleidskader vanuit de overheid. “Effectieve ondersteuning van de overheid ontbreekt. Ze voorzien geen specifieke opleidingen, vormingen of duidelijke procedures rond dit soort hulpvragen”, stelt Buseyne. Ook Maddens ervaart dat gebrek: “Je bouwt je kennis vooral op via praktijkervaring. Af en toe kijk je eens een reportage of lees je erover, maar in de praktijk komt het erop neer dat je jezelf moet onderwijzen.”
“Effectieve ondersteuning van de overheid ontbreekt. Ze voorzien geen specifieke opleidingen, vormingen of duidelijke procedures rond dit soort hulpvragen”
Sabine Buseyne (leerlingenbegeleider en coördinator Freinetschool Poperinge)
Dat kennisgebrek probeert Odisee Hogeschool alvast weg te werken in haar lerarenopleidingen. Genderdiversiteit en relationele vorming zijn niet ondergebracht in een apart leeronderdeel, maar zijn geïntegreerd in meerdere leerlijnen en contexten.
Toekomstige leerkrachten maken kennis met de seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren. Verder komt zowel de theorie als de praktijk aan bod: hoe bespreek je thema’s zoals relaties, intimiteit en grenzen op een leeftijdsadequate manier in de klas? Bovendien leren studenten reflecteren over sociale en genderdiversiteit en ontmantelen ze genderstereotypen. In de lerarenopleiding analyseren ze hoe stereotiep denken ontstaat en hoe het doorwerkt in onderwijspraktijken.
Toch zijn er hiaten. De opleidingen behandelen relationele vorming soms impliciet, binnen bredere kaders, in plaats van expliciet en structureel ingebed. Daardoor blijft een inclusief schoolklimaat afhankelijk van de goodwill en inzet van individuele scholen en leerkrachten.
Externe hulpverlening als vangnet?
Buseyne wijst erop dat voor andere onderwijsnoden, zoals dyslexie of dyscalculie, wel duidelijke richtlijnen bestaan. “Een uniforme regelgeving zou nuttig zijn, zodat scholen op eenzelfde manier omgaan met deze zorgnoden en we misverstanden met ouders kunnen vermijden.” Daarnaast ziet ze bij het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) ruimte voor verbetering. “De knowhow rond genderdiversiteit is daar nog onvoldoende.”
Het CLB speelt een vitale rol in de opvang van LGBTQIA+-jongeren. “Vanuit de CLB-medewerkers zelf kwam de vraag naar meer gerichte vorming”, vertelt An Victoire, verantwoordelijke psychosociaal functioneren en eindredacteur Caleidoscoop Magazine bij Vrij CLB Netwerk. “Daarom komt Çavaria meerdere keren per jaar opleidingen geven. Daarin komen niet alleen kennis en informatie aan bod, maar behandelen ze ook concrete casussen zodat onze medewerkers de nodige vaardigheden ontwikkelen.” Victoire benadrukt dat het initiatief daarvoor bij het CLB zelf ligt, niet bij de overheid. “De overheid staat te ver van het werkveld om te bepalen waar professionalisering nodig is. Ze bieden wel financiële steun om opleidingen te volgen.”
“Het is voor leerkrachten onmogelijk om in elke thematiek opgeleid te zijn”
An Victoire (verantwoordelijke psychosociaal functioneren en eindredacteur Vrij CLB Netwerk)
Daarenboven plaatst Victoire de verwachtingen rond leerkrachten in perspectief. “Elke dag komen duizend-en-één leerlingen door de schoolpoort, allemaal met verschillende achtergronden en hulpvragen. Het is voor leerkrachten onmogelijk om in elke thematiek opgeleid te zijn.” Maar de doorverwijzing naar externe hulpverlening blijft een knelpunt. “Wanneer we leerlingen willen doorverwijzen naar externe hulpverlening, botsen we op lange wachtlijsten”, getuigt Victoire. Daardoor wordt noodzakelijke hulp vaak uitgesteld, terwijl kwetsbare jongeren net nood hebben aan vlotte en gerichte ondersteuning.
Beleidsruimte of beleidsleemte
Binnen het onderwijs fungeren leerlingenbegeleiders en leerkrachten als eerstelijnsondersteuning voor de zorgnoden van leerlingen. Volgens Ann Verreth, algemeen directeur van Odissee Hogeschool en voorzitter van de Vlaamse Onderwijssraad, kan de overheid hen sterker ondersteunen met specifieke opleidingen en vormingen over specifieke noden van bijvoorbeeld LGBTQIA+-leerlingen. Tegelijk benadrukt ze het belang van doorverwijzing naar externe partners en tweedelijnshulp bij ernstige problemen.
“Uiteindelijk blijft het allerbelangrijkste de bespreekbaarheid in de klas. Scholen moeten inzetten op een open en inclusief klimaat”, aldus Verreth. Vandaag krijgen scholen nog veel autonomie in hoe ze zo’n veilig en inclusief leerklimaat invullen, zonder strikte aansturing vanuit de overheid.
Volgens de voorzitter van de Vlaamse Onderwijsraad raakt de aandacht voor diversiteit, genderidentiteit en geaardheid in het huidige beleid ondergesneeuwd door de focus op kennisoverdracht. “Dat is geen waardeoordeel, maar thema’s zoals diversiteit en identiteitsvorming zijn evengoed kenniselementen en verdienen een volwaardige plaats in het onderwijs”, benadrukt ze.
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.