Category Archives: De stem van jongeren
Sebbe is 21 jaar en studeert revalidatiewetenschappen en kinesitherapie aan de KU Leuven. Dat was weliswaar niet zijn plan. Na twee jaar Toegepaste Economische Wetenschappen besloot hij een gewaagde sprong te nemen en veranderde hij van studies.
“In het middelbaar deed ik Economie-Moderne talen, waar ik redelijk goede punten haalde. Een logische keuze voor mij was dan om Toegepaste Economische Wetenschappen (TEW), te volgen. Het idee klonk goed: ik kende de basis namelijk al en ik had er vertrouwen in. Revalidatiewetenschappen en kinesitherapie had ik toen ook al in mijn hoofd, maar ik had er toch een beetje schrik voor. Fysica was niet mijn sterkste punt en bewegingswetenschappen hadden we amper gezien in het middelbaar. Dus koos ik voor de safe optie: TEW.”
“Vooraleer ik me inschreef, had ik een positief beeld over TEW: een verdieping van de economie die ik al kende, maar met meer diepgang. Ook bredere vakken zoals Psychologie en Marketing spraken me aan. Het eerste jaar lag dan ook in lijn met mijn verwachtingen. De vakken waren interessant en ik vond het eigenlijk heel leuk.” “Maar het tweede jaar was een ander verhaal. De economische vakken werden steeds wiskundiger met meer abstracte modellen en theorieën die mij eigenlijk niet zo veel interesseerden. Toen kwamen er nog meer wiskundige vakken bij zoals statistiek, terwijl de bredere en leukere vakken wegvielen. Ik wist wel dat stevige wiskunde erbij hoorde, maar dit was me toch te veel van het goede. Mijn positieve beeld over TEW begon langzaam te kantelen.”
“Twee jaar studeren en dan zeggen: ik doe het niet verder. Dat is moeilijk om te accepteren. Tegelijk wist ik ook wel dat doorgaan geen juiste optie meer was”
SEBBE (21)
“Halverwege het tweede semester begon ik me dan af te vragen of ik dit nog wel twee jaar wou verder doen. Het antwoord was simpel: nee. Het was geen plots moment waarop ik dacht: “Ik stop ermee”, maar eerder een gedachte die aan me knaagde doorheen de weken. Iedere les zat ik bij mezelf te denken: ik weet niet of ik dit langer wil doen. Dat was best een confronterend gevoel.”
“De beslissing om van studierichting te veranderen, was niet makkelijk. Het voelde een beetje alsof ik twee jaar van mijn leven zou ‘verspillen’. Dat lijkt misschien een groot woord, maar zo voelde het op dat moment wel aan. Twee jaar studeren en dan zeggen: ik doe het niet verder. Dat is moeilijk om te accepteren. Tegelijk wist ik ook wel dat doorgaan geen juiste optie meer was. Je kunt jezelf dwingen om iets voort te zetten, maar als het je niet gelukkig maakt, heeft volhouden weinig zin.”
“Toen ik dit aan mijn familie voorstelde, reageerde ze eerst sceptisch. Ze wezen me op mijn studiepunten, die op zich voldoende waren, en op het feit dat ik weinig wetenschappelijke achtergrond had voor kinesitherapie. Ze waren bezorgd of ik het wel kon halen. Die bezorgdheid was niet onterecht, maar ik geloofde in mezelf. Uiteindelijk stonden ze open voor mijn beslissing en wilden ze gewoon dat ik deed wat mij gelukkig zou maken en dat betekende heel veel voor mij.”
Opnieuw vrienden maken
“Er was ook nog iets anders dat zwaar op me woog. Al mijn vrienden en medestudenten zouden gewoon verder studeren en zouden twee jaar verder staan dan ik. Ik zou opnieuw moeten beginnen in een nieuwe groep, met mensen die ik niet kende. Jongere mensen, misschien zelfs mensen waar ik niet mee zou kunnen opschieten. Dat was best spannend. Ik wist niet goed hoe ik dat zou ervaren.”
“Toch durfde ik de sprong te nemen. Kinesitherapie was altijd een optie voor mij geweest, dus besloot ik het nu toch te proberen, met twee jaar vertraging. Ik dacht bij mezelf: “Fock it, ik doe het.” Ik wou iets doen dat ik écht zag zitten en als dat niet uitpakt, kan ik nog steeds gaan werken of naar de hogeschool gaan.”
“Vandaag, in mijn tweede jaar kinesitherapie, ben ik tevreden. Zeer tevreden zelfs. Niet alleen met de inhoud van de opleiding, maar ook met de sfeer en de mensen. Ik heb zelfs het gevoel dat de mensen hier veel aangenamer zijn dan in TEW: losser, vriendelijker en warmer. Kinesitherapeut is nu eenmaal een beroep waarbij je heel sociaal moet zijn.”
“Die omweg heeft me juist iets bijgeleerd: over wat ik wil, wat ik niet wil en over de moed die nodig is om belangrijke keuzes te maken”
SEBBE (21)
“Wat me ook hielp, is dat ik er niet alleen voor stond. Veel studenten in mijn jaar zijn van mijn leeftijd of zelfs ouder. Er is dus een mooie mix tussen de verschillende leeftijden. Ik heb me er snel thuisgevoeld en snel nieuwe vrienden gemaakt, dus die bezorgdheid om nieuwe mensen te leren kennen, was nergens voor nodig.”
“Als ik op mijn jaren TEW terugblik, vraag ik me soms af of ik het anders had kunnen aanpakken. Had ik misschien beter eerst voor kinesitherapie gekozen? Had ik beter mijn bachelor afgemaakt en dan pas begonnen aan kinesitherapie? In een ideale wereld waarschijnlijk wel, maar als je naar de bigger picture kijkt, is twee jaar ‘verspillen’ niet meteen het einde van de wereld. Ik heb geen spijt van mijn keuze. Die omweg heeft me juist iets bijgeleerd: over wat ik wil, wat ik niet wil en over de moed die nodig is om belangrijke keuzes te maken.”
“Als je iemand bent die twijfelt aan zijn of haar studierichting, kan ik je vertellen dat je niet bang moet zijn. Je kunt altijd van richting veranderen als je voelt dat het de juiste keuze is. Doe gewoon wat je graag doet en denk ook aan je toekomstige zelf, als hij of zij tevreden zou zijn met de keuze. Makkelijker gezegd dan gedaan, dat weet ik ook. Maar ik kan spreken vanuit ervaring. Wees niet bang om één stap terug te nemen, om dan drie vooruit te gaan.”
“Financiële stress is niet alleen iets persoonlijks”, schrijft Marie (23). “Het heeft ook te maken met de wereld waarin we vandaag opgroeien: een wereld met veel onzekerheid, hoge verwachtingen en constante vergelijking.”
De laatste tijd merk ik dat geld veel zwaarder is beginnen wegen. Zeker nu ik dichter bij afstuderen kom en meer nadenk over alleen wonen en op eigen benen staan. Vroeger voelde sparen voor mij als iets dat gewoon slim was. Nu voelt het veel groter. Alsof sparen niet alleen over geld gaat, maar ook over rust. Over het gevoel dat ik later niet helemaal met lege handen zal staan.
Ik heb het gevoel dat er vandaag veel is dat die stress voedt. Je hoort constant dat woningen bijna onbetaalbaar zijn. Dat alles duurder wordt. Dat een pensioen onzeker voelt. Dat je jong moet beginnen, anders loop je achter. Ook op sociale media zie je vaak uitersten. Mensen die tonen wat ze kopen, waar ze reizen, hoe mooi hun appartement is of hoeveel ze al “geregeld” hebben. Dat kruipt in je hoofd, zelfs als je weet dat dat niet het hele verhaal is.
Ik merk dat dat bij mij echt in mijn dagelijks leven zit. Elke keer als ik geld uitgeef, denk ik na. Als er een rekening binnenkomt, voel ik dat meteen. Ook na een werkdag of als ik mijn loon zie, ben ik er meer mee bezig dan vroeger. Dan zie ik niet alleen een bedrag, maar begin ik meteen te denken aan alles wat ik ermee zou moeten doen. Wat moet naar vaste kosten gaan zoals huur, elektriciteit en boodschappen? Wat zou ik moeten sparen? Wat zou slim zijn? Ben ik wel goed bezig?
“Geld is voor veel jongeren nog altijd een taboe. Ikzelf praat er ook niet makkelijk over. Zelfs niet met goede vrienden”
Marie (23)
Wat ik ook moeilijk vind, is dat geld voor veel jongeren nog altijd een taboe is. Ikzelf praat daar zelf ook niet makkelijk over. Zelfs niet met goede vrienden. Ik begin er bijna nooit zelf over, omdat ik al snel denk dat het te persoonlijk is. Of dat het niet gepast is. Tegelijk denk ik wel dat het mij net deugd zou doen om er eerlijker over te praten. Want soms voel ik me er best alleen in. Terwijl ik zeker weet dat veel jongeren met dezelfde vragen zitten.
Niet iedereen start ook van hetzelfde punt. Sommige jongeren leren van thuis hoe je spaart. Sommigen krijgen financiële steun van hun ouders, zoals leefgeld, hulp met een kot of een spaarrekening. Anderen niet. En dat verschil voel je. Zelf heb ik sparen niet echt van jongs af aan geleerd. Ik ben dat nu vooral al doende aan het uitzoeken.
Ik weet ook van mezelf dat ik snel geld uitgeef. Ik ben impulsief en laat me makkelijk beïnvloeden. Door vrienden, door advertenties, door trends, door dingen die op dat moment een goede deal lijken. Geld uitgeven voelt soms ook gewoon leuk. Als een beloning. Iets waar je op dat moment controle over hebt. Maar achteraf geeft het niet altijd een goed gevoel.
“Sommigen krijgen financiële steun van hun ouders, zoals leefgeld, hulp met een kot of een spaarrekening. Anderen niet. En dat verschil voel je“
Marie (23)
Wat voor mij bijvoorbeeld niet werkt, is een spaarrekening waar ik zelf heel gemakkelijk opnieuw geld van kan halen. Dan verbreek ik die afspraak met mezelf sneller. Daarom ben ik beginnen zoeken naar manieren die beter bij mij passen. Sinds een tijdje beleg ik elke maand een klein bedrag. Niet groot, maar net genoeg om er bewust mee bezig te zijn. Voor mij helpt dat, omdat dat geld minder los aanvoelt.
Ik leer er ook door bij over geld, over markten en over hoe de wereld economisch in elkaar zit. Daarnaast probeer ik ook slimmer om te gaan met kleine uitgaven. In de supermarkt vergelijk ik veel meer prijzen dan vroeger. Ik maak er soms bijna een spel van om producten aan de beste prijs-kwaliteit te vinden.
Wat ik vooral geleerd heb, is dat financiële stress voor mij niet alleen iets persoonlijks is. Het heeft ook te maken met de wereld waarin we vandaag opgroeien: een wereld met veel onzekerheid, hoge verwachtingen en constante vergelijking. Dat voel je, ook als jongere.
Maar ik geloof wel dat je stap voor stap meer grip kan krijgen. Niet door ineens perfect met geld om te gaan, maar door jezelf beter te leren kennen en te zoeken naar wat voor jou werkt. En misschien moeten we daarom ook gewoon eerlijker worden over geld. Want zolang we erover zwijgen, blijft het iets waar iedereen afzonderlijk mee worstelt. Terwijl net meer openheid het taboe kan doorbreken.
Voor de 19-jarige Daan* verliep zijn coming-out als homoseksuele man niet zonder strijd. Toen hij zijn ouders vertelde over zijn geaardheid, stuitte hij op afwijzing en twijfel. Op school hield hij het altijd geheim. “Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik verliefd was op een meisje.”
Voor Daan* (19) verliep zijn identificatie als homoseksuele man niet van een leien dakje. “In het middelbaar heb ik me nooit voldoende comfortabel of veilig gevoeld om naar buiten te komen met mijn seksualiteit”, getuigt hij. Daarin speelde ook zijn thuissituatie een grote rol: “Ik was erg geschrokken door de reactie van mijn ouders. Ze reageerden afwijzend en deden uitspraken als ‘dat kan niet waar zijn’, ‘zou je het toch niet eens met een meisje proberen’ en ‘we geloven dat niet’.”
Voor Daan kwam de reactie van zijn ouders als een totale verrassing: “Ze hadden zich nooit eerder afwijzend of denigrerend opgesteld naar andere homoseksuele personen. Maar ik vermoed dat ze toch een ander perspectief hebben als het om hun eigen zoon gaat.”
“Tijdens mijn middelbareschooltijd was ik erg zoekende. Ik heb zelfs een periode een relatie gehad met een meisje”
Doordat zijn ouders zijn geaardheid in twijfel trokken, ging Daan ook twijfelen aan zijn gevoelens. “Tijdens mijn middelbareschooltijd was ik erg zoekende. Ik heb zelfs een periode een relatie gehad met een meisje. Ik had sowieso wel veel vrouwelijke vriendinnen en met haar had ik een goede band. Op die manier had ik mezelf wijsgemaakt dat ik verliefd was op haar.” Uiteindelijk bleek dan toch dat er iets niet klopte. “Ik had het gevoel dat er iets wrong, waardoor ik de relatie beëindigde.”
Verplicht naar de psycholoog
De afwijzing van zijn ouders ging ver: ze stuurden hem naar een psycholoog “om de homoseksuele gevoelens uit me te praten”, vertelt Daan. “Op aanraden van de zorgcoördinator ben ik toch ingegaan op de psychologische begeleiding. Niet met de overtuiging dat mijn homoseksuele gevoelens fout of verkeerd waren, maar om me te helpen navigeren in deze moeilijke situatie en mezelf te helpen aanvaarden.” Achteraf bekeken is Daan dankbaar voor de begeleiding: “Het heeft me goed gedaan, maar zoals te verwachten viel, ben ik nog steeds even gay als daarvoor.”
“Mijn ouders zijn ook een keer meegegaan naar de psycholoog, maar ik had het gevoel dat ze zich daar milder opstelden tegenover mijn homoseksualiteit”, stelt Daan. “Sindsdien heb ik het nooit meer over mijn seksualiteit gehad met mijn ouders. Het onderwerp ligt tot vandaag ook niet meteen op tafel.” Daan is namelijk bang voor de gevolgen van het gesprek: “Het escaleerde destijds zo erg dat het me niet zou verbazen als ze me het huis uitzetten. Die positie kan ik me voorlopig niet veroorloven.”
In schoolcontext is Daan nooit uit de kast gekomen. “Ik ben pas afgelopen jaar, in het hoger onderwijs, als gay naar voren gekomen.” Die coming-out werd door zijn vrienden en bredere omgeving wel goed ontvangen. “Ik heb eigenlijk geen negatieve reacties ontvangen”, vertelt Daan. “Nu ben ik comfortabel met mijn geaardheid. Maar zolang er geen partner aan te pas komt, stel ik de confrontatie met mijn ouders liefst nog wat uit.”
“Als LGBTQIA+-thema’s aan bod komen, krijgen ook extreme meningen een platform”
Achteraf bekeken had meer LGBTQIA+-representatie in het middelbaar wel gemogen, maar Daan is er sceptisch over. “In het middelbaar heb ik me altijd best onzeker gevoeld over mijn seksualiteit. Als LGBTQIA+-thema’s aan bod komen, krijgen ook extreme meningen een platform. In dat geval zou ik me juist nog onzekerder voelen en terughoudender opstellen.” Maar voor de leerlingenbegeleiding is Daan wel dankbaar. “Ik zat behoorlijk in de knoop met mijn geaardheid en mijn thuissituatie, waardoor ik opgelucht was dat Spes Nostra me een vertrouwenspersoon en een vangnet bood. Tot op vandaag heb ik nog contact met de zorgcoördinator.”
*Daan is een schuilnaam.
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.
Voor Kaat Vanhoutte (21) verliep het ontdekken van haar seksuele oriëntatie geleidelijk. Vandaag voelt ze geen behoefte om zichzelf een specifiek label op te plakken. Ze vertelt openhartig over haar relatie met Maxime, haar terughoudendheid om haar liefde in het openbaar te tonen en haar visie op LGBTQIA+-representatie in het onderwijs.
Kaat Vanhoutte (21) kwam voor de eerste keer in aanraking met lesbische relaties tijdens haar basketbalstage met het Belgische nationale team: “Daarvoor had ik zelfs nooit gedacht dat dat een optie was.” Inmiddels omschrijft Kaat haar seksuele oriëntatie niet aan de hand van een specifiek label. “Ik voel me doorgaans sterker aangetrokken tot vrouwen dan tot mannen, maar het ene sluit het ander niet uit. Vrouwen geven me een ander, sterker gevoel.”
Dat bewustwordingsproces verliep geleidelijk. “In het vierde middelbaar had ik ruim anderhalf jaar een relatie met een jongen. Toen dat afgelopen was, kwam er in het vijfde middelbaar toevallig een nieuw meisje in de klas, Laure, en realiseerde ik me dat mijn aantrekking tot vrouwen sterker is”, vertelt Kaat. Ze experimenteerden een tijd lang met hun gevoelens. “Uiteindelijk hebben we dat stopgezet omdat Laure zelf erg worstelde met haar genderidentiteit.” Na verloop van tijd kwam Laure naar buiten als transgender en begon hij zijn transitie naar man onder de naam Maxime. “Maxime is nog steeds de ware voor mij”, vertelt Kaat. “Als ik me een toekomst met iemand voorstel, dan is het met Maxime.”
“Op drukke plaatsen, zoals in een stad, zou ik nooit hand in hand lopen met mijn vriendin”
Hoewel Kaat zich altijd comfortabel heeft gevoeld met haar seksuele oriëntatie, bleef ze terughoudend om dit naar de buitenwereld te communiceren: “Je kunt nooit goed inschatten wat iemands reactie zal zijn en je hoort ook steeds verontrustende verhalen. Maar natuurlijk, de tolerante en accepterende verhalen komen niet zo vaak aan het licht.” Daarnaast voelde ze ook geen expliciete behoefte om daarmee naar buiten te treden: “Uiteindelijk hebben mensen daar toch geen zaken mee? Je ziet heteromensen ook niet naar voren komen met hun geaardheid. Dus waarom zou ik dat dan wel moeten doen?” Tot vandaag is ze nog steeds terughoudend: “Ik ben altijd voorzichtig. Op drukke plaatsen, zoals in een stad, zou ik nooit hand in hand lopen met mijn vriendin. Je moet op je hoede blijven voor negatieve reacties.”
Ondanks haar terughoudendheid, reageerde zowel haar beste vriendin, haar vriendengroep als haar ouders positief en accepterend toen ze het hen vertelde. “Mijn papa vertelde dat hij het wel had zien aankomen, aangezien ik als kind ook nooit een ‘meisje-meisje’ was. Ik droeg geen rokjes of kleedjes en ik speelde niet met poppen”, vertelt Kaat. Ze benadrukt daarbij dat kinderlijke voorkeuren niet noodzakelijk iets hoeven te zeggen over iemands seksuele oriëntatie.
Op school ervaarde ze weinig expliciete representatie van LGBTQIA+-thema’s in de lessen of het lesmateriaal. “Af en toe was er een leerkracht die open was over diens persoonlijke leven, maar dat gebeurde telkens op initiatief van de leerkracht zelf”, vertelt de basketbalspeelster.
“Opgelegde quota of geforceerde hervormingen lijken mij niet nodig. De thema’s moeten spontaan en natuurlijk aan bod kunnen komen”
Tegelijkertijd benadrukt Kaat dat representatie voor haar vooral op een natuurlijke manier moet ontstaan. “Meer representatie is zeker welkom, maar het mag er niet vingerdik op liggen. Opgelegde quota of geforceerde hervormingen lijken mij niet nodig. De thema’s moeten spontaan en natuurlijk aan bod kunnen komen.”
Hoewel er in de Gemeenschapsschool Groenhove sterk werd ingezet op antipestcampagnes, was er volgens haar geen specifiek LGBTQIA+-beleid aanwezig. “Er was daar niet veel bewustwording rond, maar ik had ook niet het gevoel dat ik dat miste”, vertelt Kaat. “Waarschijnlijk omdat ik die representatie wel terugvond binnen de sport- en basketbalwereld.”
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.
Middelbare scholen spelen een grote rol in de ontwikkeling van jongeren, maar zijn niet altijd voor iedereen een veilige plek. Vince Maerten (21) vertelt over de zoektocht naar zijn genderidentiteit, en hoe hij die periode op school ervoer.
Vince Maerten (21) identificeert zich vandaag als transman en woont samen met zijn vriend in Lauwe. “Ik val op het innerlijke van een persoon. Ik plak er eigenlijk niet graag een label op, maar om voor anderen duidelijk te maken, gebruik ik de term ‘panseksueel’. Dat wil zeggen dat je op iedereen kunt vallen, ongeacht gender of uiterlijk. Ik word gewoon verliefd”, verklaart Vince.
Zijn ouders waren altijd ontvankelijk voor zijn transitie. “Het was voor hen geen verrassing. Ik stond altijd al sceptisch tegenover stereotiepe meisjesactiviteiten. Zo had ik voornamelijk jongensvrienden en was ik niet geneigd om met poppen te spelen.” Omdat Vince het moeilijk vond om zijn gevoelens onder woorden te brengen, ging hij samen met zijn ouders in gesprek, onder begeleiding van zijn psycholoog. “Ik volgde al psychologische begeleiding naar aanleiding van de scheiding van mijn ouders. Mijn psycholoog heeft me dan ook geholpen in het gesprek met hen”, vertelt hij.
Zoeken naar oplossingen
Zowel thuis als op school werd er open en respectvol omgegaan met zijn coming-out en transitieproces. “Iedere beslissing werd altijd met mij afgetoetst en overlegd.” De school hield rekening met zijn tempo, onder andere bij de naamsverandering en bij praktische regelingen zoals de kleedkamers tijdens de sportlessen. “In het begin was dat een beetje zoeken. Ik had er geen probleem mee om me om te kleden bij mijn klasgenoten, met wie ik een goede band had. Maar zodra we lichamelijke opvoeding kregen samen met leerlingen uit andere klassen, moesten we op zoek naar een andere oplossing”, vertelt hij. Uiteindelijk kreeg hij de ruimte van de scheidsrechter toegewezen: “Daar heb ik me altijd comfortabel bij gevoeld.” Enkel de zwemlessen bleven voor ongemak zorgen. “Ik mocht deelnemen aan de wekelijkse zwemlessen in een zwemshort en een T-shirt, maar het bleef toch ongemakkelijk.”
“Als ik mijn transidentiteit voor mezelf kan houden, doe ik dat wel. Anderzijds praat ik er ook graag over”
In het vijfde middelbaar ging hij naar de Rhizo zorgkrachtschool in Kortrijk. “In het Atheneum in Ieper heb ik me altijd goed gevoeld, maar mijn achtergrond en geschiedenis als iemand die bij de geboorte als vrouw werd geregistreerd, bleven me alsnog achtervolgen. Af en toe kreeg ik nog een vreemde blik of staarden mensen me aan.” Vince wilde in Kortrijk een nieuwe start maken. “Als ik mijn transidentiteit voor mezelf kan houden, doe ik dat wel. Anderzijds praat ik er ook graag over”, getuigt Vince.
Afgezien van het schoolzwemmen, ervaarde Vince zijn middelbareschooltijd overwegend positief. “Als ik er nu naar terugkijk, zou ik wel blij geweest zijn met wat meer representatie binnen de lessen en de inhoud van de vakken.” Bovendien heerst er nog veel onwetendheid, volgens Vince. “Ik merkte wel een gebrek aan kennis rond genderidentiteit en transpersonen binnen het onderwijs. Nu moest ik zelf nog veel uitleg geven aan leerkrachten. Dat is op zich geen probleem, maar als mensen beter opgeleid zouden zijn, zou het toch een groot verschil maken.”
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.
Steeds meer jongeren zijn op zoek naar hun identiteit en nemen de ruimte om te experimenteren met wie ze zijn. Voor lgbtqia+-jongeren verloopt dat proces echter niet altijd even vlot, zeker niet binnen de context van het secundair onderwijs. Sien Coolsaet (23) getuigt.
Sien Coolsaet (23) identificeert zich als lesbische vrouw met een fluïde genderidentiteit. “Toen ik op mijn vijftiende naar voren trad als lesbienne, reageerde iedereen vrijwel positief en ontvankelijk.” Momenteel identificeert ze zich als masculiene vrouw, maar geeft ze aan nog zoekende te zijn. “Het zou me niet verbazen, mocht ik over vijf jaar een mastectomie ondergaan. Maar voorlopig voel ik me comfortabel bij de voornaamwoorden zij/haar of die/hun”, vertelt Sien.
Hoewel haar directe omgeving positief reageerde op haar coming-out, ervaarde Sien tijdens haar middelbareschooltijd een gebrek aan zichtbare rolmodellen. “Ik had geen voorbeelden of mensen waarin ik me kon herkennen. Ik had slechts één homoseksuele vriend.” Daarnaast herinnert ze zich een confronterend moment in de godsdienstles, waar de vraag werd gesteld of ‘personen met een andere seksuele oriëntatie het recht hadden om te bestaan’. “Ik heb me best alleen gevoeld in mijn homoseksualiteit”, getuigt Sien. “In de klas was ik onvoldoende comfortabel om als lesbienne naar voren te stappen of om LGBTQIA+-rechten te verdedigen.”
“Een belangrijk kantelmoment was de bezinning in het zesde middelbaar”, gaat Sien verder. Dat is een tweedaagse die in het kader van de godsdienstlessen werd georganiseerd, met aandacht voor groepsdynamiek en de bespreekbaarheid van gevoelige thema’s. Een van de sessies ging over homoseksualiteit en het leven als LGBTQIA+-persoon in de samenleving. Twee gastsprekers, een man en een vrouw die beiden homoseksueel zijn, deelden hun ervaringen. “Dat gaf me voor het eerst het gevoel echt gezien en erkend te worden. Ik heb een traantje gelaten en pas toen durfde ik ook binnen de klascontext uit de kast te komen”, vertelt Sien.
“Mensen in hokjes duwen, is voor mij onnatuurlijk. Uiteindelijk ben ik maar gewoon Sien”
Tijdens de coronaperiode vond Sien via onlineplatformen, zoals Tiktok, meer lesbische en queerrepresentatie en herkenning. “Door de lockdown leefde ik chronisch online en vond ik online voorbeelden van lesbiennes in wie ik mezelf kon herkennen. Als ik terugdenk aan de quarantaine van 2020 denk ik aan de zon en aan de regenboog”, lacht ze.
Na haar afstuderen kreeg ze een autismediagnose, die volgens haar ook een belangrijke rol speelt in hoe ze naar identiteit, labels en sociale normen kijkt. “Als vrouw met autisme denk ik niet in sociaal gevormde normen. Het klinkt misschien tegenstrijdig, maar mensen in hokjes duwen, is voor mij onnatuurlijk. Uiteindelijk ben ik maar gewoon Sien.”
Onderwijs schiet tekort
Volgens Sien schiet het onderwijs wel tekort op vlak van persoonsontwikkeling binnen de leerlingenbegeleiding. “Je wist wel dat de leerlingenbegeleiding er was om te helpen met studiemethoden en met leermoeilijkheden, maar ze zetten niet echt in op persoonsontwikkeling. Dat ervaarde ik wel als een gemis.”
Ook op vlak van inclusieve representatie is er nog ruimte voor verbetering. “Meer aandacht voor diverse seksuele oriëntaties en genderidentiteiten binnen verschillende vakken zou een veel inclusievere sfeer creëren. Relationele en seksuele vorming mag ook veel breder getrokken worden dan cisgender heterorelaties.” Dat zijn relaties tussen mensen van een verschillend geslacht van wie de genderidentiteit overeenkomt met het geboortegeslacht.
Tot slot pleit Sien voor bespreekbaarheid en transparantie van LGBTQIA+-thema’s: “Leerkrachten die zich open opstelden over hun geaardheid gaven me echt het gevoel dat ik welkom was. Maar helaas waren dat slechts individuele gevallen die daar openlijk voor durfden uitkomen.”
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.
Veel Oekraïense studenten studeren aan twee universiteiten: één fysiek hier in België en één via een scherm in hun thuisland. Ze bouwen aan een toekomst terwijl ze hun band met Oekraïne behouden. Waarom kiezen ze voor dit parcours? Hopen ze ooit terug te keren? Is er angst dat een Belgisch diploma straks na de oorlog niet wordt erkend in hun thuisland?
Voor veel Oekraïense studenten in België is een dubbelleven een dagelijkse realiteit: fysiek studeren in België en online studeren in hun thuisland. Yelyzaveta (21) uit Kiev is een voorbeeld van een student die balanceert tussen twee studies tegelijk. Ze studeert fotografie aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Tegelijk volgt ze online filmregie in Oekraïne. Omdat ze momenteel op vakantie is in Georgië en ze het al gewend is om zaken digitaal te regelen, vertelt ze haar verhaal via Teams.

“Ik verliet Kiev twee weken na de Russische invasie in 2022 en verhuisde naar Berlijn. Daar studeerde ik voor een semester, maar het was niet echt mijn ding. Ik was toen ook nog erg jong”, vertelt ze. Na drie jaar in Berlijn, verhuisde ze naar België. Sinds september woont Yelyzaveta in Antwerpen, net op het moment dat het academiejaar van start ging, terwijl ze nog steeds filmregie in Oekraïne studeerde. “Ik wilde niet dat alle tijd en moeite die ik in mijn opleiding heb gestoken, verloren ging, en ik wilde meerdere diploma’s hebben. Dus dacht ik: misschien kan ik twee opleidingen combineren.” Maar dit dubbelleven is geen lachtertje, vindt Yelyzaveta. “Het is uitputtend, vooral omdat de uurroosters elkaar voortdurend in de weg zitten. Het is dus zeker niet voor iedereen weggelegd.” Die overlappende uurroosters zorgen ervoor dat ze noodgedwongen keuzes moet maken in haar dagelijkse planning, wat voor stress zorgt. “De lessen aan de universiteit in Oekraïne, woon ik daarom niet bij.”
Volgens Oekraïens freelance journalist Iryna Gryshchenko is dit fenomeen zeker niet zeldzaam. De coronapandemie zit er zeker voor iets tussen, legt ze uit. “Iedereen begon van alles online te doen, voor Oekraïners is dat nooit gestopt.” Dat is niet de enige reden die Gryshchenko ziet. Toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, mochten jongens het land niet uit. “Eerst lag de leeftijdsgrens op 18 jaar, nu op 23.” Ook de omgekeerde weg was volgens haar onmogelijk. “Jongens die al in het buitenland woonden, konden niet even terug naar Oekraïne, omdat ze er dan moesten blijven.”
Band met Oekraïne
Een andere logische reden voor studenten om hun studie in Oekraïne online voort te zetten, is volgens Iryna dat ze er simpelweg al aan begonnen waren toen de oorlog uitbrak, maar door het escalerende conflict halsoverkop moesten vertrekken. “Ze waren misschien net begonnen met hun studie of zaten er middenin toen ze Oekraïne moesten verlaten. Bovendien bracht verhuizen naar een nieuwe omgeving en een nieuw land al genoeg stress met zich mee, dus proberen ze op die manier de band met hun thuisland te behouden. Sommigen willen waarschijnlijk ooit terugkeren naar Oekraïne. Zonder een afgewerkt Oekraïens diploma wordt het moeilijker om daar werk te vinden of verder te studeren.” Het combineren van twee studies is allesbehalve eenvoudig, en de taalbarrière werpt nog een extra drempel op. Niet elke opleiding in België wordt in het Engels aangeboden, legt Iryna Gryshchenko uit. Dat betekent dat studenten bovenop hun drukke studieschema nog Nederlands moeten leren.
Drie studenten, drie verhalen
Op een zonnige woensdagnamiddag vertellen drie Oekraïense studenten in een koffiebar op de Keyserlei in Antwerpen hun verhaal. Oleksander Yakovenko (19), die liever met zijn bijnaam Sacha wordt aangesproken, neemt meteen het woord. Hij heeft net zijn vierjarige opleiding Elektrotechniek in Oekraïne online afgerond. Tegelijkertijd studeerde hij in Antwerpen bij Belukra, een school met Oekraïense studenten en docenten die het Belgische curriculum volgt. Momenteel werkt hij bij de sociale kledingwinkel Binnenste Buiten, samen met Viktoriia (25).

Onderweg naar een koffiebar op de Keyserlei vertelt Sacha dat Alisa Fomenko (19) zijn vriendin is. De twee hebben elkaar in België leren kennen op Belukra en wonen nu samen op Linkeroever. Hoewel Sacha al vier jaar in België is, verblijft Alisa hier nog maar drie jaar. Ze is afkomstig uit Rubizhne in de door Rusland bezette regio Loehansk en heeft dus geen mogelijkheid om terug te keren. “Mijn vriendin is haar huis en haar thuis kwijt”, vertelt Sacha. Zelf is ze erg stil en luistert ze vooral. Ze zegt dat ze Nederlands en Engels verstaat, spreken vind ze nog moeilijk. De afgelopen drie jaar heeft Alisa online haar secundair onderwijs afgemaakt in Oekraïne terwijl ze ook aan Belukra studeerde.

Viktoriia, Sacha’s collega, is oorspronkelijk uit de stad Tsjerkasy. Ze volgde een bachelor Internationale Economie in Oekraïne, maar vertrok in haar vierde en laatste jaar van de opleiding naar België. “Toen de oorlog uitbrak, moest ik beslissen wat ik wilde doen: mijn studie in Oekraïne afmaken of vertrekken. Ik heb verschillende studies bekeken, maar de Belgische waren de beste, daarom kwam ik naar hier.” Sinds 2022 combineerde Viktoriia een studie bedrijfskunde aan Universiteit Antwerpen (UA) met haar Oekraïense master Internationale Economie, die ze online afrondde terwijl ze op de UA de lessen op de campus volgde. “De combinatie was erg zwaar. Ik had ook veel examens.”
“Je moet altijd aan je toekomst denken”

Bij de vraag waarom ze hun opleiding in Oekraïne toch wilden afwerken terwijl ze hier ook een studie volgden, klonk gelach. “Ik hou van mijn universiteit en ik wilde iets doen voor mijn land. Echt patriottisch, ik weet het”, blikt Viktoriia terug. Sacha had daarentegen andere redenen om door te zetten. Zoals journaliste Iryna eerder aanhaalde, moeten jongens vanaf de leeftijd van 23 in Oekraïne blijven. “Je moet altijd aan je toekomst denken”, zegt hij nuchter. “Het kan zomaar zijn dat België of Oekraïne plots beslist dat ik terug moet, mochten er meer mannen nodig zijn voor de oorlog.” “Deportatie”, voegt Viktoriia er luchtig aan toe. Een binnenlands diploma is voor hem een noodzakelijk vangnet voor het geval hij moet terugkeren naar zijn thuisland. “Als België beslist dat we hier kunnen blijven, dan wil ik blijven. Zo niet, dan ga ik terug naar Oekraïne. Als ik word teruggestuurd, dan moet ik een Oekraïens diploma hebben om daar een job te kunnen vinden”, redeneert hij.
Ook Viktoriia ziet zichzelf nog een tijdje in België wonen. “Het was altijd mijn droom een deel van mijn leven in het buitenland te wonen, maar ik hou van mijn moederland. Ik heb geen probleem om terug te keren.” Voor Alisa zit het anders. De keuze wordt voor haar gemaakt. Haar geboortestad ligt in bezet gebied, waardoor terugkeren voor haar geen optie is.
De harde realiteit op de Belgische arbeidsmarkt
Met een Oekraïens diploma kan je niet gegarandeerd werk vinden in België, zegt Viktoriia. Dat is voor haar ook een belangrijke factor in de keuze om in België te studeren. “Ik ken veel Oekraïners uit de taalcursus die geen werk kunnen vinden. Dat waren ervaren dokters en ingenieurs.” De diploma’s hier in België en Oekraïne zijn dus niet altijd gelijk. “Ze worden niet altijd erkend”, pikt Sacha in. Hij klinkt verontwaardigd. “Om als arts te werken in België, moet je examens afleggen en bijstuderen. Die mensen hebben carrière gemaakt in hun thuisland en wel vijf tot zeven jaar gestudeerd. Dat heeft veel geld en tijd gekost. Dan komen ze naar België en moeten ze alles opnieuw opbouwen”, vertelt hij. “Om te studeren moet je ook het juiste niveau van Nederlands behalen door lessen te volgen, wat ook heel moeilijk is, zeker voor oudere mensen”, voegt Viktoriia ten slotte toe.
De realiteit van de dag dwingt de studenten om het gesprek af te ronden. Hun drukke schema laat weinig ruimte voor pauze, want de volgende verplichting staat al te wachten: de les Nederlands.

Dahnyel M. (26), beter bekend als Amarachi, groeide op in Gwhana, maar voelde zich daar nooit helemaal vrij om zichzelf te zijn. In 2019 kwam hij in België terecht, waar hij vandaag werkt aan een carrière als danser. Onlangs stond hij in het nieuwe seizoen van So You Think You Can Dance.
Hoe zag je jeugd in Ghana eruit?
“Mijn leven in Ghana was eigenlijk comfortabel. We woonden in een goede buurt en iedereen was vriendelijk, maar ik heb me nooit helemaal kunnen aanpassen aan de Ghanese cultuur. Ik moest verstoppen wie ik echt ben. Toen ik aan enkele vrienden in Ghana durfde vertellen dat ik op jongens val, zeiden ze dat het een zonde was en dat ze voor mij gingen bidden. Omdat ze het doorvertelden, werd ik meermaals naar een priester in een katholieke kerk gestuurd. Daarnaast was ik door mijn vrouwelijk kantje ook een makkelijk doelwit voor pesterijen op school.”
Wanneer werd dans belangrijk voor jou?
“Ik ben rond mijn zestiende serieuzer beginnen dansen, toen voelde ik dat het meer werd dan een hobby. Ik wilde er professioneel iets mee doen. Ik wilde daarom ook graag dans studeren, maar mijn vader weigerde. Ik werd door hem verplicht om politicologie en Spaans te studeren, maar ik spijbelde en sloop altijd naar de afdeling performing arts, gewoon zodat ik kon dansen met andere studenten daar. Dansen is vanaf toen een erg belangrijk element in mijn leven geworden.”
Op weg naar België
Waarom besloot je Ghana te verlaten?
“Ik wist altijd al dat ik wilde vertrekken, Ghana kon mij niet bieden wat ik écht wou. Ik wist dat Europa een plek voor mij zou zijn waar ik mezelf en mijn homoseksualiteit meer kon uiten. Ik vertrok eerst naar Spanje en kwam daarna, via een asielaanvraag, in België terecht. Ik diende mijn aanvraag in 2019 al in, maar het wachten duurde lang, zeg maar gerust drie jaar.”
Wat maakte België anders voor jou?
“Voor mij betekende België meer vrijheid, hier kon ik gewoon hand in hand met mijn ex-vriend wandelen en niemand keek er vreemd van op. Dat contrast met Ghana is groot, thuis zou ik daar veel negatieve reacties voor krijgen, soms zelfs fysieke. Op sommige plekken worden er zelfs stenen naar je hoofd gegooid, soms ging het zelfs nog verder. Ook mijn naam veranderde mee met mijn nieuwe leven, mensen begonnen me Amarachi te noemen en dat vond ik écht bij mij passen. Amarachi is mijn tweede naam, mijn voornaam is Dahnyel.”
Dansen zonder school
Hoe heb je jezelf leren dansen?
“Mijn ambitie voor dans startte in Ghana voor het televisiescherm, ik begon naar een Canadese tv-serie te kijken en ging dan de danspassen kopiëren die ik daar zag. Later ging ik op YouTube op zoek naar tutorials. Ik leer heel visueel, als ik iets zie kan ik min of meer uitzoeken hoe ik mijn lichaam dat moet laten doen. Ik gaf nooit op en mensen begonnen mij via sociale media uiteindelijk te kennen, een jaar later kreeg ik al dansjobs.”
Hoe heb je dans gecombineerd met je beginnende leven in België?
“Toen ik in België aankwam, had ik geen geld, geen job en geen identiteitskaart. Ondanks mijn schaarse middelen vond ik in Sint-Niklaas een balletstudio, waar ik enkele gratis lessen mocht volgen. Via Instagram kwam ik later ook terecht bij de dansgroep CompAni-One. Toch blijft het zwaar om alles alleen te doen, mijn grootste uitdaging is dat ik hier alleen ben. Soms is het kiezen tussen overleven en dansen, ik heb hier op mijn eigen houtje in een leven moeten opbouwen. Ik heb mijn ouders sinds ik uit Ghana vertrok ook niet meer gezien, dat is ondertussen al acht jaar geleden.”
Wat betekent het voor jou dat je zo ver bent geraakt met minieme opleiding?
“Mijn hele leven heb ik het gevoel gehad dat ik iets moest bewijzen en daarom blijft ik streng voor mezelf. Uiteindelijk ben ik gewoon dankbaar voor wat mijn lichaam kan, zowel tijdens het dansen als zelf mijn mannetje kunnen staan. Tijdens mijn auditie voor So You Think You Can Dance wou ik super graag door naar de volgende ronde, en dat lukte me. Ik was enorm blij dat mijn werk gezien werd en dat ik aan de mensen thuis de kans krijg om tonen wat ik in mijn mars heb.”
Na een lange, gevaarlijke vlucht uit Afghanistan kwam R. Momand op vijftienjarige leeftijd op zijn eentje aan in België. Na zeven landen te doorkruisen in tientallen taxi’s, woont hij nu zelfstandig in een appartement in Houthalen-Helchteren. “Ik doe gewoon mijn best, dat is voor mij genoeg.”
Hoe verliep je reis vanaf het moment dat je over de Belgische grens kwam?
“Ik ben met vrienden van Frankrijk naar Brussel gekomen, gewoon met de taxi. Zo kwam ik bij een asielzoekerscentrum terecht. We moesten er de hele nacht wachten tot de mensen ons ’s morgens binnenlieten. Binnen werden onze vingerafdrukken afgenomen en moesten we een klein interview doen. Maar daar was ik niet klaar voor.
Ik was vijftien en ik was al zo lang onderweg, ik moest gewoon eten en slapen. Ze stuurden me naar sociaal-culturele organisatie ORBIT voor twee à drie maanden, waar ik ook Nederlandse lessen kreeg. Toen heb ik wel het interview gedaan. Ze vroegen waar ik naartoe wilde als ik hier weg moest. Ik heb aangegeven dat ik uiteindelijk niet naar Waals-Brabant wilde. Ik was Nederlands aan het leren en dat ging goed. Waarom zou ik dan niet in Vlaanderen blijven? Naar school gaan zou dan makkelijker zijn voor mij.”
Kan je uitleggen hoe het verder verliep in opvang ORBIT?
“We werden volledig gecontroleerd. We moesten naar de dokter voor medische onderzoeken om na te kijken of we fysiek in orde waren. Ze besloten uiteindelijk dat ik in Vlaanderen mocht verblijven dus hebben ze me dan met de auto naar het noodopvangcentrum in Houthalen-Helchteren gebracht. Vanaf dan moest ik eigenlijk al direct naar school. Mijn voogd hielp me ondertussen met de procedure en zocht mee naar werk. Ik was toen zestien.
Na school of op woensdagnamiddag werkte ik als student in een restaurant. Soms ook in het weekend. Dat was zwaar. Na een tijd ben ik daar gestopt omdat het te ver was. Ik moest er met de bus naartoe, maar die reed ’s avonds niet meer terug. Die regeling was te moeilijk. Vanaf mijn zeventiende ben ik in restaurant Den Noordkant beginnen werken als afwasser.”
Kon je sparen?
“In Brussel kreeg ik zeven euro per week. In Helchteren kreeg ik niets, omdat ik een studentenjob had. Dat mocht ik allemaal zelf bijhouden om te sparen voor het moment dat ik weg moest uit het centrum. Mijn voogd motiveerde me vooral om te sparen, hij wilde niet dat ik veel uitgaf. En de begeleiders keken allemaal streng toe, zodat je goed omging met je geld.”
Je moest uiteindelijk vertrekken uit het opvangcentrum. Hoe is dat verlopen?
“Toen ik zeventien werd, deed ik het grote interview. Dan wordt er beslist of je het centrum mag verlaten. Ze vroegen naar een paar documenten, maar die had ik niet. Ze geloofden ook niet alles wat ik vertelde en weigerden daardoor mijn aanvraag. Ik mocht dus niet vertrekken. Als je wordt geweigerd na het grote interview, word je naar de rechtbank gestuurd. Dit gebeurde toen ik achttien was. De rechter beslist dan of je in België mag blijven of niet. Mijn advocaat en leerkrachten waren ook aanwezig. Zij vertelden dat ik goed bezig was, zoals dat ik de Nederlandse taal leerde en werk had.”
Studeerde je toen nog?
“Ja, ik deed een opleiding automechanica. Elke dag zat ik van acht tot vier uur op school, daarna ging ik werken. Ik wou de opleiding wel volgen, maar ik wilde ook mijn familie naar België halen dus ben ik beginnen werken bij Kuehne+Nagel in Tessenderlo.”
Hoe ziet je leven er nu uit?
“Ik werk en woon alleen. Toen ik in het opvangcentrum zat, werd alles voor me geregeld. Nu moet ik huishuur, autoverzekering en elektriciteit betalen. In Afghanistan deed mijn grote broer alles voor me. Hij was een tweede vader voor mij. Maar hier moet ik alles ineens zelf doen. Er is niemand, als ik het zo mag zeggen, die me echt steunt.
Het moeilijkste was de Nederlandse taal en cultuur leren. Van mijn religie mag je niet eens samenzitten of praten met meisjes die je niet kent. Op school hadden we ook aparte klassen, hier is alles gemengd. Nu ben ik het gewoon, maar het duurde lang om eraan te wennen. Ik schaamde me en durfde niet in de klas te praten. Door de taal, maar ook door de gemengde groep.”
Vind je het moeilijk om alleen te zijn?
“De eerste maanden en jaren voelde ik me eenzaam. Zeker tijdens de ramadan en op Suikerfeest, dat zijn momenten die je normaal met familie doorbrengt. Maar mijn familie is hier niet.”
Ben je trots op jezelf?
“Ik ben trots op mijn leerkrachten. Zij hebben zoveel voor me gedaan en ervoor gezorgd dat ik in België kon blijven. Door hen spreek ik Nederlands en kan ik werken. Ik ben niet trots op mezelf, ik doe gewoon mijn best en dat is het belangrijkste.”
De Oekraïense Rufina Oleksiienko vluchtte vier jaar geleden samen met haar familie naar België. De situatie in en rond de stad waarin ze woonde werd te gevaarlijk. “We waren met vier kinderen toen we vertrokken. In België is ons vijfde broertje geboren.”
Je bent van Oekraïne naar België gevlucht. Hoe was die reis?
“De tocht was fysiek en emotioneel zwaar. We vertrokken in een kleine auto die tot de nok toe opgetast was met dozen. In Polen begaf onze auto het. We moesten hem daar achterlaten en enkele dagen wachten tot een vriend ons kon ophalen. In totaal heeft de reis naar België zo’n drie tot vier dagen geduurd.”
Hoe was de periode in Oekraïne voordat jullie zijn gevlucht?
“We zaten vooral thuis, af en toe hadden we online les. We kregen taken die we nadien naar onze leerkrachten moesten doorsturen. Maar het wifinetwerk werkte niet altijd goed en het was soms moeilijk om je te kunnen concentreren.
We waren ook heel bang om naar buiten te gaan, zelfs naar de winkel was een grote stap. Dat was maar vijf minuten wandelen, maar we durfden niet. Vaak sliep ik ook met mijn broer en zus in één bed, zo voelden we ons veiliger.”
Wanneer zijn jullie vertrokken?
“Mijn ouders hebben lang getwijfeld. Veel van onze vrienden waren al eerder gevlucht. Mijn vader was bezorgd, want in Oekraïne had hij werk en een inkomen. In België zou hij geen werk hebben en geen geld verdienen, dat is eng om over na te denken. Na gesprekken met onze vrienden die al eerder gevlucht waren en nadat papa met zijn baas en collega’s sprak, hebben ze toch besloten om te vluchten. Omdat onze vrienden naar België waren gevlucht, besloten wij om ook naar hier te komen.”
Hoe kan je jouw eerste dagen in het opvangcentrum beschrijven?
“Toen we aankwamen, kregen we een plaats om te slapen die niet erg comfortabel was. Er stonden veel bedden in één kamer, gelukkig was het toen niet zo druk in het opvangcentrum. We kregen als gezin één kamer, dus we hadden wel een beetje privacy.
Er was een grote refter om te eten. Het eten in België en is anders dan in Oekraïne. Toen we uit het centrum kwamen en naar ons eigen huis verhuisden, aten we alleen maar pizza. Soep en andere gerechten konden we niet eten, omdat we dat niet lekker vonden.
Het was spannend om in het opvangcentrum te verblijven, omdat er veel mensen waren die onder druk stonden. Dan zijn ze soms erg vervelend. We waren heel bang om naar buiten te gaan in een nieuw land, om nieuwe mensen te leren kennen en een nieuwe taal te leren. Meestal zaten we de hele dag in onze kamer. Eén keer per dag gingen we naar buiten.
Mama moest kalmeringspillen nemen om rustig te blijven toen we in het opvangcentrum aankwamen, want ze kon ieder moment bevallen. Dat was niet zo goed voor het baby’tje en daar dacht ze veel aan. Het duurde dan ook niet lang voor ze moest bevallen.”
Hoe was dat dan, die bevalling?
“Tijdens onze tweede nacht in het opvangkamp moest mijn moeder bevallen. Terwijl mijn vader met haar mee naar het ziekenhuis ging, bleven ik met de rest van het gezin alleen achter in het kamp. We waren heel bang. Ik ook, maar ik ben de oudste, dus ik moest me sterk houden.
We zaten met ons vier op de kamer in het centrum. Mijn broertjes waren nog heel klein toen, dus voor hen was het heel beangstigend. Ik als grote zus moet er dan zijn voor hen en voor hen zorgen. De volgende ochtend is papa langsgekomen om te vertellen dat we er een broertje bij hadden gekregen.”
Heb je soms het gevoel gehad dat je niet welkom was in België?
“Soms, bijvoorbeeld bij het maken van een afspraak in het ziekenhuis. De administratie was niet geduldig. Ik moest in de documenten zoeken naar antwoorden, maar het duurde te lang, waardoor de persoon die ik aan de lijn had aflegde. Ik heb toen zeker meerdere keren moeten bellen om iets te vragen en het is altijd via die procedure, dus het duurde soms heel erg lang. Dat is erg frustrerend.”
Praat je vaak over deze periode in je leven met mensen?
“Nee, normaal gesproken praten we hier nooit over. We hebben niet bewust gezegd dat we er nooit over zouden praten, maar niemand doet het. Ik denk dat het is omdat we hier een goed leven hebben, we willen niet terugkijken naar het verleden waarin het niet altijd goed ging.
We zijn gelukkig hier, mijn mama is thuis en zorgt voor de kinderen. Mijn papa studeert ondertussen winkelmanagement aan de hogeschool. We leven in een omgeving met nog andere gevluchte Oekraïeners. Ik heb nieuwe vrienden en een nieuwe thuis. Ik ben gelukkig.”