• Elke dinsdag-, woensdag- en donderdagmiddag StampLab, waar je experimenteert met media

  • Boek een mediawijze workshop voor je klas of organisatie

Category Archives: Opinie

Goedkope pakjes uit webshops worden binnenkort een stuk duurder. De Europese Unie wil de invoer aanpakken, maar wie wordt daar uiteindelijk beter van: de consument of vooral de tussenhandel?

Een tuinsproeier lijkt op het eerste gezicht weinig met Europese handelspolitiek te maken te hebben. Toch deed een recente aankoop mij nadenken over de manier waarop Europa omgaat met goedkope producten uit China.

Onlangs kocht ik op AliExpress voor ongeveer vijf euro een tuinsproeier met verschillende sproeistanden. Niet veel later zag ik in een gewone winkel voor ongeveer dertig euro een sproeier die er hetzelfde uitzag en dezelfde functies had. Ik kan niet met zekerheid zeggen dat beide producten in dezelfde fabriek zijn gemaakt, maar een verschil was nauwelijks te zien.

Een Europese winkel heeft extra kosten voor personeel, huisvesting, voorraad, garantie en productcontrole. Een importeur moet invoerrechten en btw betalen, Europese productregels naleven en verantwoordelijkheid opnemen wanneer er iets misgaat. Een hogere verkoopprijs is dus gedeeltelijk te verklaren. Maar waarom wordt een product problematisch wanneer ik het rechtstreeks bij een Chinese verkoper koop, maar aanvaardbaar zodra een Europese tussenhandelaar het importeert en voor een veelvoud van de prijs doorverkoopt? Nu Europa opnieuw extra heffingen op zulke rechtstreekse aankopen wil invoeren, wordt die vraag alleen maar relevanter.

Rekening voor de klant?

In juli werd al een tijdelijke invoerheffing ingevoerd van drie euro op goedkope e-commerce importen van landen buiten de Europese Unie. Nu heeft de Europese Commissie een bijkomende afhandelingstaks van twee euro voorgesteld. Die moet vanaf november de stijgende kosten van de douane helpen financieren. Juridisch gezien moeten de platforms, verkopers of vervoerders die kosten dragen maar de kans is groot dat zij de kosten geheel of gedeeltelijk doorrekenen aan hun klanten.

De reden daarvoor is begrijpelijk: in 2025 kwamen bijna zes miljard goedkope e-commerce artikelen de Europese Unie binnen. Meer dan negentig procent daarvan was afkomstig uit China. De douane moet controleren of deze producten veilig zijn, correct worden aangegeven en aan de Europese regels voldoen. Dat vraagt personeel, digitale systemen en fysieke controles. Het is dan ook logisch dat platforms zoals Shein, Temu en AliExpress hun verantwoordelijkheid moeten opnemen.

“De maatregelen treffen vooral prijsbewuste consumenten zoals gezinnen met een beperkt inkomen en de lagere middenklasse“

Jeroen Verachtert (23)

Sommige boetieks en webwinkels kopen goederen bij fabrikanten of groothandelaars buiten Europa en verkopen die daarna met een hogere prijs door. Soms gaat het om een product dat consumenten ook rechtstreeks op AliExpress of een ander platform kunnen vinden. Bij grote modeketens zoals Zara, Bershka, H&M en Primark is dat anders. Zij laten ook hun kleding buiten Europa produceren maar werken met eigen ontwerpen, collecties en leveranciers.

De productie-impact verdwijnt dus niet doordat er een Europees merk of een Europese winkel tussen staat. Waarom wordt een product dan verdacht wanneer een consument het rechtstreeks bestelt, maar aanvaardbaar zodra een Europese handelaar het importeert en met winst doorverkoopt? De Europese importeur zorgt voor extra controle en juridische verantwoordelijkheid, maar de oorspronkelijke productieomstandigheden en gebruikte materialen veranderen daardoor niet.

Voor iemand die een duur luxegoed koopt, maakt twee of drie euro nauwelijks verschil maar voor wie bewust naar het goedkoopste alternatief zoekt, kan het een aanzienlijk deel van de aankoopprijs zijn. De maatregelen treffen dus vooral prijsbewuste consumenten zoals gezinnen met een beperkt inkomen en de lagere middenklasse. Voor hen is goedkoop online winkelen niet altijd gedachteloze overconsumptie. Het kan ook een manier zijn om noodzakelijke aankopen betaalbaar te houden.

Duurder maar niet beter

Dat de Europese textielsector voor strengere maatregelen lobbyt, is geen geheim. Begin september kwam de sector samen op de vakbeurs Première Vision nabij Parijs. Daar vroeg Euratex, de Europese koepelorganisatie van de textielindustrie, om de afhandelingstaks niet op twee, maar op tien euro per pakket vast te leggen. Ook Franse textielfederaties steunden die oproep. Wanneer die sector voordeel haalt uit het duurder maken van rechtstreekse aankopen, mag de consument zich afvragen wat hier het zwaarst doorweegt: productveiligheid of bescherming tegen goedkope concurrentie.

“Een zekere mate van Europees protectionisme is begrijpelijk maar het mag innovatie niet in de weg staan“

Jeroen Verachtert (23)

Ook Frankrijk heeft ondertussen afzonderlijke maatregelen genomen tegen ultrafastfashion. Daar geldt een ecologische bijdrage die in de praktijk vooral platforms zoals Shein viseert. Tegen 2030 kan die bijdrage voor bepaalde kledingstukken oplopen tot ongeveer 19,50 euro. Klassieke Europese fastfashionketens worden veel minder zwaar getroffen. Daardoor ontstaat de indruk dat niet alleen het vervuilende bedrijfsmodel wordt aangepakt, maar ook de buitenlandse herkomst van de concurrent.

Een zekere mate van Europees protectionisme is begrijpelijk maar het mag innovatie niet in de weg staan. Als Europa buitenlandse concurrenten alleen duurder maakt, vermindert de druk op Europese retailers om hun prijzen, digitale dienstverlening, logistiek en productieketens te verbeteren. De consument betaalt dan meer, terwijl het Europese aanbod niet noodzakelijk beter of duurzamer wordt.

Mijn tuinsproeier van vijf euro wordt geen beter product wanneer een Europese winkel hem voor dertig euro verkoopt. Het is dus terecht dat buitenlandse platforms aan dezelfde regels worden onderworpen. Maar als Europa werkelijk de consument wil beschermen, moet het ook opletten dat die consument niet telkens degene is die de volledige rekening betaalt.

Het hoofddoekendebat laait weer op. Sinds dit schooljaar zijn hoofddoeken verboden in de provinciale scholen van Oost-Vlaanderen. Eerder deze week werd een leerkracht ontslagen omdat ze weigerde haar hoofddoek af te zetten. Opnieuw klinkt het argument van neutraliteit. Voor reporter Johanna Thijssen is dat de aanleiding om het debat opnieuw onder de loep te nemen.

Ik neem je mee naar mijn katholieke middelbare school in Hasselt in het jaar 2014. Iedere ochtend wanneer de meisjes die een hoofddoek dragen de school binnenlopen, doen ze hun hoofddoek af. Het moment dat ze de schoolpoort naderen op het einde van de dag, doen ze hun hoofddoek weer aan. Als tiener stelde ik me hier verrassend weinig vragen bij.

Onze school stond bekend om een resem absurde regels en eisen aan haar leerlingen. Je haar kleuren mocht alleen in ‘natuurlijke’ haarkleuren. Een vriendin van mij die haar haar knalroze, paars of blauw verfde, werd daarvoor meermaals bij de directie geroepen. Om maar te zeggen: het hoofddoekenverbod paste voor mij in die reeks aan belachelijke regels om een zogezegde neutraliteit te handhaven.

Het is pas op mijn eerste job bij de overheid dat ik weer in contact kom met de reglementering rond het dragen van een hoofddoek in openbare functies. Ik was rekruteerder voor een federale overheidsinstelling die werkloosheidsuitkeringen uitbetaalt. Die welbepaalde instelling kampte met een personeelstekort en een sterk personeelsverloop. Simpel gezegd: we konden goede werknemers gebruiken.

Mijn baas vertelde me, beschaamd, dat we jammer genoeg iedere persoon moesten afwijzen die een hoofddoek droeg als die weigerde die af te zetten voor een functie achter het loket. “In functie van de neutraliteit” mochten medewerkers geen religieuze symbolen dragen als ze in contact kwamen met de burger. Ik voelde meteen een knoop in mijn maag: ik begon nog maar aan mijn eerste job en hier moest ik al mijn principes overboord gooien voor een loonbrief aan het einde van de maand.

Zogenaamde neutraliteit

Overheidsinstellingen kunnen kiezen tussen exclusieve neutraliteit, inclusieve neutraliteit en een gemengde invulling van neutraliteit. Bij exclusieve neutraliteit zijn religieuze tekens niet toegestaan, bij inclusieve neutraliteit wel. Volgens Unia is de invulling van het neutraliteitsprincipe een politieke en maatschappelijke keuze, geen juridische. Waar ik werkte, gold er een gemengde invulling. Vrouwen met een hoofddoek werkten achter de schermen, voor de schermen waren hoofddoeken niet toegestaan.

“In onze openbare instellingen wordt neutraliteit graag gelijkgesteld aan een westers uiterlijk“

Johanna Thijssen

Tegenstanders beweren dat iemand met een hoofddoek niet neutraal is. Om even een open deur in te trappen: niemand is volledig neutraal. De manier waarop je je kleedt, hoe je spreekt of hoe je je gedraagt, is cultureel bepaald. Waar het misloopt, is de vrees dat iemand die een hoofddoek draagt, niet neutraal handelt. Het dragen van een hoofddoek staat in geen geval gelijk aan anderen bekeren tot je geloof. Daarnaast is een hoofddoek een zichtbare uiting van geloof, maar kan je evengoed moslima zijn en geen hoofddoek dragen.

Van iemand in een openbare functie wordt er terecht verwacht dat die neutraal handelt. Maar jezelf neutraal presenteren? In onze openbare instellingen wordt neutraliteit graag gelijkgesteld aan een westers uiterlijk. Het verbod ruikt dan ook naar discriminatie in plaats van het zogezegde bevrijden van ‘onderdrukte’ moslima’s.

Het verbod marginaliseert vrouwen met een hoofddoek door ze uit te sluiten van bepaalde openbare functies. Laat vooral vrouwen zelf beslissen of ze een hoofddoek willen dragen en laat hun keuze niet afhangen van hoeveel kansen ze daarna krijgen in onze maatschappij. Een verbod is zelden de oplossing. Als ik moest kiezen tussen mijn werkloosheidsuitkering die te laat betaald wordt door een personeelstekort, of een bediende met een hoofddoek die mijn dossier tijdig en correct behandelt, zou ik het wel weten.

De overbevolking in de gevangenis van Gent toont hoe vastgelopen het Belgische gevangenissysteem is. Straffen moeten gevolgen hebben, maar gevangenen verdienen ook een menswaardige behandeling. België moet daarom niet alleen investeren in gevangeniscapaciteit, maar ook in preventie en re-integratie, schrijft Jeroen Verachtert in zijn opinie.

De situatie in de gevangenis van Gent toont aan dat het Belgische gevangenissysteem volledig is vastgelopen. Bijna 500 mensen verblijven er in een gevangenis die volgens de rechtbank slechts 262 plaatsen telt. Mensen moeten op de grond slapen en hebben onvoldoende toegang tot hygiëne, zorg en persoonlijke ruimte. Dat is geen normale uitvoering van een gevangenisstraf meer, maar een onmenselijke behandeling.

Natuurlijk hebben deze mensen misdrijven gepleegd en moeten zij hun straf uitzitten. Maar gevangenen mensonwaardig behandelen, maakt onze samenleving niet veiliger. Als mensen slechter uit de gevangenis komen dan ze erin gingen, zonder begeleiding of uitzicht op re-integratie, vergroten we juist de kans dat zij opnieuw misdrijven plegen. Daarom moeten we verschillende problemen tegelijk aanpakken.

“Als mensen slechter uit de gevangenis komen dan ze erin gingen, zonder begeleiding of uitzicht op re-integratie, vergroten we juist de kans dat zij opnieuw misdrijven plegen”

Jeroen Verachtert

België moet voldoende moderne gevangeniscapaciteit creëren, zodat veroordeelden hun straf daadwerkelijk kunnen uitzitten. Dat is ook nodig om het gevoel van straffeloosheid onder de bevolking tegen te gaan. Tegelijk moeten we investeren in psychologische begeleiding, verslavingszorg, onderwijs, beroepsopleidingen en hulp bij de terugkeer naar de samenleving. Daarnaast is preventie essentieel. Door eerder in te grijpen bij armoede, schooluitval, verslaving en psychische problemen kunnen we voorkomen dat sommige mensen uiteindelijk in de criminaliteit terechtkomen.

Gevangenen als verdienmodel

De privatisering van gevangenissen is geen goede oplossing. Zodra bedrijven winst maken op het opsluiten van mensen, ontstaat er een verkeerd financieel belang: hoe meer gevangenen er zijn en hoe langer zij opgesloten blijven, hoe hoger de mogelijke inkomsten. Daardoor bestaat het risico dat zulke bedrijven lobbyen voor strengere en langere straffen, niet omdat dit de samenleving veiliger maakt, maar omdat het hun winst verhoogt.

Ook re-integratie kan dan op de achtergrond raken. Minder recidive kan leiden tot minder gevangenen en dus mogelijk minder inkomsten voor private gevangenisbedrijven. Een systeem waarin gevangenen klanten of inkomstenbronnen worden, dreigt het menselijke aspect volledig uit het oog te verliezen. De overheid moet daarom zelf verantwoordelijk blijven voor gevangenissen en ervoor zorgen dat veiligheid, menswaardigheid en re-integratie centraal staan.

Investeren in preventie, hulpverlening, gevangeniscapaciteit en re-integratie zal op korte termijn geld kosten, maar op lange termijn kan dit goedkoper zijn dan de gevolgen van besparingen op preventie. Wanneer problemen niet tijdig worden aangepakt, lopen de kosten voor politie, justitie, gevangenissen en gezondheidszorg verder op. Daarbovenop komt de menselijke schade voor slachtoffers, daders en hun families.

“Een humane behandeling betekent niet dat misdrijven zonder gevolgen blijven”

Jeroen Verachtert

Een humane behandeling betekent niet dat misdrijven zonder gevolgen blijven. Het betekent dat we straffen op een manier die rechtvaardig is én de kans op nieuwe slachtoffers verkleint. Meer capaciteit, effectieve straffen, preventie, toegankelijke zorg en re-integratie zijn geen tegenstellingen. Ze zijn allemaal noodzakelijk voor een geloofwaardig en veilig justitiebeleid.

Pablo Verhaeghe schrijft over een bijzondere ontmoeting die hij had met een jonge gelovige. “Ze zat niet op de kansel in de kerk, wel al predikend op een terras in Leuven.”

Op een vrijdagavond in Leuven, terwijl ik wijn deelde en brood brak met mijn elf vrienden, herrees Hij plots toch. Ze was wat je een godfluencer zou noemen: een oprechte gelovige die het woord van Jezus volgt en dat dagelijks deelt met haar volgers.

Het gesprek startte onschuldig. Ze sprak over naastenliefde en zelfaanvaarding, pakte die in met fluweelzachte woorden en bracht die vervolgens met volle overtuiging. Hoewel dit thema’s zijn waar je moeilijk bezwaar kan tegen inbrengen, had ik het gevoel dat ik naar een reclamespotje luisterde. Ze probeerde mij iets te verkopen, één antwoord op al mijn vragen: God.

Bij mij was er die avond geen vraag naar dat aanbod. Bij veel van mijn leeftijdsgenoten is die er wel. Want religie maakt zich opnieuw populair bij jongeren. Ze manifesteert zich niet meer in zondagsmissen en kerkkoren, nee, die tijd is voorbij. Religie is esthetiek geworden: ze vertaalt zich in kruisjes als sieraden en bijbelverzen op Instagram. Subtiel, maar aanwezig.

Naarmate het gesprek vorderde, werden mijn vragen indringender, haar glimlach bleef onveranderlijk. Ze straalde rust uit, de rust van iemand die ervan overtuigd is dat ze op de wereld was gezet om precies dit soort gesprekken te voeren. Blind geloof zag ik altijd als iets van een andere tijd, een overblijfsel uit een wereld die in niets meer op de onze leek. Maar hier zat ze tegenover mij, niet op de kansel in de kerk, wel al predikend op een terras in Leuven.

“Zelfs de meest fanatieke gelovige moet soms kiezen tussen wat ze voelt en wat er duizenden jaren geleden door mannen werd neergeschreven”

Pablo Verhaeghe (21)

Toen stelde ik de vraag: “Wat vind jij van abortus?” Ze aarzelde heel even, maar lang genoeg om te zien dat ergens tussen de esthetiek en overtuiging een kloof gaapt die geen bijbelvers kan dichten. Want zelfs de meest fanatieke gelovige moet soms kiezen tussen wat ze voelt en wat er duizenden jaren geleden door mannen werd neergeschreven. Ze koos de mannen.

“Abortus is niet Gods wil.”

En daarna een stilte. Ze zocht naar woorden om haar product mee te verpakken, maar vond geen inpakpapier. Dezelfde mond die me net vertelde dat ik mezelf moest aanvaarden, vertelde nu aan andere vrouwen wat ze niet mochten doen. Daar stonden ze dan, de kleine lettertjes, ergens onderaan de advertentie. Tussen de zachte woorden, de kruisjes en de bijbelverzen zat een boodschap die een stuk minder modern was dan de verpakking deed vermoeden. Want wie kijkt er nu naar de inhoud als de verpakking zo mooi is? 

Amen.

Wat vandaag in Afghanistan gebeurt, is geen verzameling losse maatregelen. Het is een systematisch beleid dat vrouwen uit het openbare leven wil bannen, schrijft Fatima Noori. “Wat mij misschien nog het meeste pijn doet, is niet alleen wat de taliban doen. Het is wat de rest van de wereld níét doet.”

In een reeks columns neemt Fatima Noori (18) ons, vijf jaar nadat de taliban de macht opnieuw overnamen, mee in haar gedachtewereld over haar geboorteland Afghanistan. Vandaag deel 3: Hoe de wereld toekijkt en koffie drinkt met de taliban. Lees hier de andere columns uit de reeks.

Hoeveel rechten moet je een meisje afnemen voor de wereld ophoudt met wegkijken? Die vraag stel ik mezelf telkens wanneer ik lees dat de taliban opnieuw een wet hebben ingevoerd die vrouwen nog verder uit het openbare leven bant. Niet in één keer, maar stap voor stap worden Afghaanse vrouwen en meisjes onzichtbaar gemaakt. Hun scholen sluiten. Hun werk wordt verboden. Hun stem wordt gesmoord. Hun toekomst wordt afgenomen.

Afghanistan is mijn geboorteland. Tien jaar geleden vluchtte ik met mijn familie naar België. Hier mocht ik opnieuw naar school. Hier ontdekte ik dat een meisje mag dromen, schrijven en haar mening mag uiten. Terwijl ik mijn eerste boek schreef, werden meisjes van mijn leeftijd in Afghanistan  uit de klas gestuurd. Terwijl ik mijn stem vond, werd die van hen steeds verder het zwijgen opgelegd. Dat contrast draag ik iedere dag met mij mee.

Ik ben gevlucht uit Afghanistan, maar Afghanistan is nooit uit mij verdwenen. Iedere wet die een Afghaans meisje haar toekomst ontneemt, voelt ook als een aanval op een deel van mezelf. Ik mag vandaag journalist zijn, op een podium staan en mijn mening uitspreken. Dat zijn geen vanzelfsprekendheden. Dat zijn rechten die miljoenen Afghaanse meisjes vandaag worden ontzegd.

Genderapartheid

Wat vandaag in Afghanistan gebeurt, is geen verzameling losse maatregelen. Het is een systeem dat de helft van de bevolking haar fundamentele rechten ontneemt. Een beleid dat vrouwen uit het openbare leven wil bannen. Vrouwen worden uitgesloten van werk, cultuur, sport en steeds meer aspecten van het dagelijkse leven. Hun bewegingsvrijheid wordt beperkt en hun aanwezigheid in de samenleving wordt steeds verder uitgewist. Daar bestaat een naam voor: genderapartheid.

Afghaanse vrouwen en mensenrechtenverdedigers vragen de internationale gemeenschap al jaren om die situatie ook zo te benoemen. Zij vragen geen medelijden. Zij vragen erkenning. Hun oproep verdient meer dan sympathie. Ze verdient politieke moed.

Toch hoor ik nog altijd dat dit “hun cultuur” of “hun religie” zou zijn. Nee. Dit is geen islam. Dit is geen cultuur. Dit is machtsmisbruik. De islam leert niet dat vrouwen minderwaardig zijn, integendeel. De Koran (9:71) benadrukt de waardigheid van mannen én vrouwen en beschouwt hen als gelijkwaardig in hun menselijkheid en verantwoordelijkheid. De profeet Mohammed moedigde kennis en onderwijs aan voor iedere moslim. Bovendien wordr in de Koran benadrukt dat man en vrouw gelijk zijn en elkaars bondgenoten:

“De gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars beschermers (of bondgenoten). Zij gebieden het goede en verbieden het slechte, onderhouden het gebed, geven de zakaat en gehoorzamen Allah en Zijn Boodschapper.”

De profeet Mohammed moedigde kennis en onderwijs aan voor iedere moslim. Eén van zijn bekendste uitspraken luidt: “Het paradijs ligt onder de voeten van de moeder.” Dat is geen beeld van onderdrukking, maar van respect, waardigheid en eerbied.

“Wie bang is voor een meisje met een boek, een vrouw met een diploma of een moeder met een eigen mening, toont niet zijn macht, maar zijn angst”

Fatima Noori (18)

Religie gebruiken om vrouwen hun rechten af te nemen, is daarom geen religieuze overtuiging. Het is een politieke keuze. De taliban misbruiken het geloof om hun macht te legitimeren. Daarmee doen ze niet alleen onrecht aan Afghaanse vrouwen aan, maar ook aan miljoenen moslims wereldwijd die hun geloof beleven vanuit rechtvaardigheid, mededogen en gelijkwaardigheid.

Wie vrouwen hun stem ontneemt, toont geen kracht. Wie bang is voor een meisje met een boek, een vrouw met een diploma of een moeder met een eigen mening, toont niet zijn macht, maar zijn angst. Want kennis is gevaarlijk voor wie wil overheersen. Vrijheid is bedreigend voor wie alleen kan regeren door anderen klein te houden.

Geen voorpaginanieuws meer

Wat mij misschien nog het meeste pijn doet, is niet alleen wat de taliban doen. Het is wat de rest van de wereld níét doet. Vijf jaar nadat de taliban de macht weer innamen, verdwijnt Afghanistan steeds vaker van de voorpagina’s. Andere conflicten eisen onze aandacht op. Maar voor miljoenen meisjes stopt de onderdrukking niet wanneer de camera’s vertrekken. Hun leven blijft stilstaan.

Mensenrechten zijn geen luxe die alleen gelden wanneer het politiek goed uitkomt. Ze zijn universeel, of ze betekenen niets. Daarom moeten regeringen niet alleen de taal van mensenrechten spreken, maar er ook naar handelen.

In juni ontving Brussel vertegenwoordigers van de taliban voor gesprekken over migratie en terugkeer. De Europese Commissie benadrukte dat zulke contacten geen diplomatieke erkenning van het regime is. Toch voelt dat voor veel Afghaanse vrouwen als verraad. Ze zien hoe dezelfde landen die vrijheid en gelijkheid verdedigen, onderhandelen met de machthebbers die hun dochters het recht op onderwijs hebben ontnomen. Mensenrechten mogen nooit onderhandelbaar worden zodra migratie of geopolitieke belangen op tafel liggen.

“Vijf jaar nadat de taliban de macht weer innamen, verdwijnt Afghanistan steeds vaker van de voorpagina’s”

Fatima Noori (18)

Wanneer een regime dat vrouwen systematisch uitsluit van onderwijs, werk en het openbare leven een plaats krijgt aan de gesprekstafel, ontstaat onvermijdelijk de indruk dat normalisering belangrijker wordt dan gerechtigheid. Ik begrijp dat diplomatie soms noodzakelijk is. Staten moeten met moeilijke regimes kunnen spreken. Maar diplomatie mag nooit betekenen dat onze waarden verdwijnen. Wie met de taliban spreekt, moet mensenrechten niet als een randonderwerp behandelen, maar als het vertrekpunt van elk gesprek.

Blijven dromen en hopen

De taliban vertegenwoordigen niet de Afghaanse bevolking. Afghanistan is meer dan de taliban. Afghanistan bestaat ook uit de vrouwen die blijven vechten, de meisjes die ondanks alles blijven dromen, de journalisten die blijven schrijven, de moeders die hun dochters hoop proberen te geven en de mensen die weigeren hun menselijkheid op te geven.

Toeval bracht mij naar België, maar toeval mag nooit bepalen wie recht heeft op onderwijs, vrijheid en een toekomst. Later zal de geschiedenis zich niet alleen herinneren wat de taliban deden. Ze zal zich ook herinneren hoe de wereld reageerde. Of hoe de wereld niet reageerde. De vraag is niet hoeveel onrecht Afghaanse vrouwen nog moeten doorstaan. De vraag is hoeveel stilte wij nog bereid zijn te aanvaarden.

Opgroeien tussen culturen, schrijft Fatima Noori, is “meerdere werelden meekrijgen, maar niemand die je leert hoe je ze moet combineren.”

In een reeks columns neemt Fatima Noori (18) ons, vijf jaar nadat de taliban de macht opnieuw overnamen, mee in haar gedachtewereld over haar geboorteland Afghanistan. Vandaag deel 2: ‘Ik ben meer dan een migrant uit Afghanistan.’ Lees hier de andere columns uit de reeks.

Ik heb vaak het gevoel dat mensen mij proberen te begrijpen voordat ze mij leren kennen. Ze zien mijn naam. Ze horen mijn accent. Ze vragen waar ik ‘echt’ vandaan kom. Ze plaatsen mij in een vakje nog voor ze mijn verhaal kennen.

Mijn naam is Fatima. Ik ben achttien jaar. Ik ben geboren in Afghanistan en opgegroeid in België. Ik leef tussen twee werelden, maar soms voelt het alsof ik nergens volledig thuishoor. Dat is het vreemde aan opgroeien tussen culturen: je krijgt meerdere werelden mee, maar niemand leert je hoe je ze moet combineren.

Brug tussen werelden

Als kind dacht ik dat identiteit iets eenvoudig was. Dat je ergens geboren werd, een taal sprak, een cultuur had en wist wie je was. Maar wanneer je migreert, verandert alles. Je neemt een verleden mee dat anderen niet altijd begrijpen, terwijl je tegelijkertijd probeert een toekomst op te bouwen in een nieuwe omgeving. Je wordt een brug tussen werelden. Maar niemand vertelt je hoe zwaar het is om altijd een brug te moeten zijn.

In Afghanistan zou mijn leven er waarschijnlijk anders hebben uitgezien. Mijn toekomst zou misschien al grotendeels bepaald zijn. Er zouden verwachtingen zijn over wie ik moet zijn, hoe ik mij moet gedragen, welke keuzes ik moet maken.

In België kreeg ik kansen die ik nooit als vanzelfsprekend beschouw. Ik mocht naar school. Ik mocht schrijven. Ik mocht dromen. Ik mocht mijn stem gebruiken. Maar ook hier ontdekte ik dat vrijheid niet betekent dat je nooit meer hoeft uit te leggen wie je bent.

“Voor mij is identiteit iets waar ik elke dag opnieuw over nadenk. Ben ik Belg genoeg? Ben ik Afghaans genoeg? Ben ik te westers voor de ene groep en te buitenlands voor de andere?”

Fatima Noori (18)

Want soms word je niet gezien als Fatima. Je wordt gezien als migrant. Een woord dat voor sommigen meer zegt dan duizend verhalen. Een migrant wordt vaak bekeken als iemand die iets mist. Iemand die moet bewijzen dat hij erbij hoort. Iemand die dankbaar moet zijn, maar niet te veel ruimte mag innemen. Iemand die voortdurend wordt gevraagd om zijn afkomst uit te leggen, terwijl anderen nooit hoeven te verklaren waarom zij ergens thuishoren.

Maar een mens is meer dan zijn afkomst. Ik ben niet alleen iemand die ooit gevlucht is. Ik ben niet alleen een Afghaans meisje. Ik ben niet alleen een migrant. Ik ben schrijfster. Ik ben reporter. Ik ben dochter. Ik ben vriendin. Ik ben iemand met dromen, twijfels, fouten en herinneringen.

Het moeilijkste aan migratie

Toch voel ik vaak dat mensen eerst mijn achtergrond zien en pas daarna mij. Op school merkte ik dat vaak. Ik zie leeftijdsgenoten die vanzelfsprekend lijken te weten wie ze zijn. Ze bewegen zich door de wereld zonder voortdurend na te denken over hoe anderen hen bekijken. Voor hen is identiteit vaak iets dat gewoon bestaat.

Voor mij is identiteit iets waar ik iedere dag opnieuw over nadenk. Ben ik Belg genoeg? Ben ik Afghaans genoeg? Ben ik te westers voor de ene groep en te buitenlands voor de andere? Die vragen komen niet altijd uit mezelf. Soms worden ze door de omgeving opgelegd. Want wanneer iemand vraagt: “Waar kom je echt vandaan?”, lijkt het soms alsof mijn antwoord: “België”, niet genoeg is.

Alsof ik altijd een voetnoot blijf. Alsof mijn verhaal altijd begint bij mijn vlucht en niet bij mijn dromen. Dat is misschien één van de moeilijkste dingen aan migratie: dat je een nieuw leven opbouwt, maar dat anderen je soms blijven herinneren aan het moment waarop je aankwam.

“Eén van de moeilijkste dingen aan migratie is dat je een nieuw leven opbouwt, maar dat anderen je soms blijven herinneren aan het moment waarop je aankwam”

Fatima Noori (18)

Migranten zijn niet alleen verhalen over verlies. Wij zijn ook verhalen over groei. Over nieuwe kansen. Over mensen die twee talen spreken, twee culturen kennen en verschillende werelden kunnen verbinden.

Opgroeien tussen culturen is niet alleen een strijd. Het is ook een kracht. Je leert verschillende perspectieven begrijpen. Je leert dat er meer dan één manier is om naar de wereld te kijken. Je leert dat identiteit niet iets vaststaand is, maar iets dat groeit.

Toch blijft het moeilijk wanneer je voortdurend gelabeld wordt. Want labels lijken misschien klein, maar ze kunnen zwaar wegen. Migrant. Vluchteling. Buitenlander. Woorden die soms gebruikt worden alsof ze alles over een persoon vertellen.

Ik ben onderweg

Maar geen enkel label kan een volledig mens bevatten. Achter elk label zit een verhaal. Een moeder die haar kinderen een betere toekomst wilde geven. Een kind dat opnieuw moest beginnen. Een jongere die probeert uit te zoeken wie hij of zij is.

Een persoon die niet gevraagd heeft om tussen werelden te leven, maar er toch een thuis probeert te vinden. Ik ben niet volledig oosters. Ik ben niet volledig westers. Ik ben niet één verhaal. Ik ben meerdere verhalen tegelijk.

Misschien ligt mijn identiteit niet in het kiezen tussen twee werelden. Misschien ligt mijn identiteit juist in het feit dat ik beide werelden draag. Ik ben Fatima. Niet alleen een migrant. Niet alleen een Afghaans meisje. Niet alleen iemand met een verleden. Ik ben iemand die onderweg is. En mijn verhaal is nog lang niet af.

Sommige oorlogen eindigen op papier, maar blijven verder leven in de mensen die ze hebben meegemaakt. Afghanistan is daar een voorbeeld van.

In een reeks columns neemt Fatima Noori (18) ons, vijf jaar nadat de taliban de macht opnieuw overnamen, mee in haar gedachtewereld over haar geboorteland Afghanistan. Vandaag deel 1: Afghanistan, meer dan een oorlogsland. Lees hier de andere columns uit de reeks.

Wanneer de wereld over Afghanistan spreekt, gaat het vaak over cijfers: hoeveel soldaten er zijn gesneuveld, hoeveel mensen er zijn gevlucht, hoeveel jaren conflict het land heeft gekend. Maar achter elke statistiek zitten mensen. Families die hun huis verloren. Kinderen die opgroeiden tussen angst en onzekerheid. Ouders die hun kinderen een toekomst wilden geven, maar zelf nooit vrede hebben gekend.

Afghanistan is mijn geboorteland. Het land waar mijn eerste herinneringen liggen. Het land dat mijn familie en ik moesten verlaten omdat veiligheid geen zekerheid meer was. Vandaag woon ik in België, maar Afghanistan blijft een deel van mij. De verhalen van mijn land draag ik iedere dag mee.

Vrede is meer dan stoppen met vechten

Meer dan veertig jaar oorlog heeft diepe wonden achtergelaten. Eerst was er de Sovjetoorlog, daarna de burgeroorlogen, de internationale militaire aanwezigheid en uiteindelijk de terugkeer van de taliban aan de macht in 2021. Veel Afghanen hoopten na zoveel jaren geweld eindelijk op rust. Maar vrede betekent meer dan het stoppen van gevechten. Vrede betekent dat mensen veilig kunnen leven, hun kinderen naar school kunnen sturen en hun toekomst zelf kunnen bepalen.

Vandaag leeft Afghanistan nog altijd in een zware crisis. Miljoenen mensen hebben humanitaire hulp nodig. Armoede, voedseltekorten, klimaatproblemen en een zwakke economie maken het dagelijks leven moeilijk voor veel gezinnen. De internationale hulp is sterk verminderd, terwijl de noden enorm blijven.

“Vrede betekent meer dan het stoppen van gevechten. Vrede betekent dat mensen veilig kunnen leven, hun kinderen naar school kunnen sturen en hun toekomst zelf kunnen bepalen”

Fatima Noori (18)

Maar Afghanistan is niet alleen een humanitaire crisis. Het is ook een crisis van hoop. Een hele generatie jongeren groeit op met herinneringen aan oorlog. Kinderen kennen verhalen over bommen, vluchten en verlies voordat ze verhalen kennen over dromen en mogelijkheden. Veel Afghanen hebben meerdere keren afscheid moeten nemen: van hun huizen, hun familieleden, hun veiligheid en soms zelfs van hun eigen identiteit.

De wereld lijkt Afghanistan vaak te vergeten zodra de grootste krantenkoppen verdwijnen. Maar een oorlog stopt niet wanneer de camera’s vertrekken.

Een moeder die niet weet hoe ze haar kinderen eten moet geven, leeft nog steeds in de gevolgen van oorlog. Een jongere die geen werk vindt omdat de economie is ingestort, leeft nog steeds in de gevolgen van oorlog. Een meisje dat haar dromen moet opgeven omdat haar rechten worden beperkt, leeft nog steeds in de gevolgen van oorlog.

De vader die werk blijft zoeken

Daarom mogen we Afghanistan niet alleen bekijken door de lens van politiek en macht. Achter ieder conflict staan mensen. Natuurlijk is de situatie complex. Afghanistan heeft niet alleen te maken met binnenlandse problemen, maar ook met regionale spanningen, grensconflicten en de gevolgen van internationale keuzes uit het verleden. Recente spanningen aan de grens met Pakistan hebben opnieuw geleid tot slachtoffers en nieuwe ontheemding, waardoor de kwetsbaarheid van de bevolking verder toeneemt.

Maar tussen al die politieke discussies vergeten we soms de gewone Afghanen. De vader die elke ochtend opstaat om werk te zoeken. De moeder die alles doet om haar kinderen hoop te geven. De jongere die ondanks alles blijft studeren. De journalist die blijft schrijven terwijl vrijheid van meningsuiting onder druk staat.

“Een land verdwijnt niet omdat mensen het verlaten. Afghanistan leeft voort in de herinneringen van miljoenen Afghanen over de hele wereld”

FATIMA NOORI (18)

Afghanistan is meer dan oorlog. Afghanistan is ook cultuur. Het is poëzie. Het zijn families. Het zijn mensen die ondanks alles blijven lachen, creëren en dromen. Wat mijn land nodig heeft, is niet alleen medelijden. Het heeft aandacht nodig. Het heeft een internationale gemeenschap nodig die verder kijkt dan tijdelijke belangen en begrijpt dat stabiliteit niet gebouwd kan worden op het vergeten van mensenrechten.

Ik schrijf dit als schrijver, maar ook als iemand die Afghanistan heeft moeten verlaten. Ik weet wat het betekent om een thuis achter te laten. Ik weet wat het betekent om opnieuw te beginnen in een ander land. Maar ik weet ook dat een land niet verdwijnt omdat mensen het verlaten. Afghanistan leeft voort in de herinneringen van miljoenen Afghanen over de hele wereld.

De grootste tragedie van Afghanistan is niet alleen dat het zoveel oorlog heeft gekend. Het is dat de wereld eraan gewend is geraakt. Een volk mag nooit gereduceerd worden tot een nieuwsbericht. Een land mag nooit alleen herinnerd worden door zijn conflicten.

Afghanistan is geen verloren land. Het is een land vol mensen die wachten op een toekomst waarin vrede niet alleen een woord is, maar een werkelijkheid.

Het verdienmodel van schimmige techbedrijven, die cashen op eenzaamheid, krijgt met de ‘AI-act’ van de Europese Commissie een serieuze slag van de molen. Dat is alvast waar reporter Tomek Gemis op hoopt.


Je kunt er op het internet bijna niet meer naast kijken: we worden overspoeld door AI-apps die virtuele vriendjes en vriendinnen aanbieden. Volgens de marketing kunnen ze je diepste verlangens waarmaken, maar schijn bedriegt. Deze apps zijn funest voor onze mentale gezondheid en leiden op termijn tot zware sociaal-emotionele problemen. Gelukkig heeft de Europese Commissie ingegrepen met de AI-verordening die sinds 2 augustus van kracht is.


Lange tijd was het juridische verweer van AI-platformen even simpel als cynisch: “Het is maar software. Er vallen toch geen gewonden?”, was één van de meest voorkomende uitspraken die te vinden waren op de websites van de bedrijven en in de officiële communicatie naar de buitenwereld.

Maar de Europese Commissie is niet vluchtig te werk gegaan. Wie puntje 5 van de inleidende tekst betreffende de AI-wet erop naslaat, ziet dat de wetgever een profetische vooruitziendheid had. Er staat zwart op wit dat AI schade kan toebrengen aan het openbaar belang en de grondrechten, en dat deze schade “lichamelijke, psychische, maatschappelijke of economische schade kan omvatten.” Psychische schade is dus ook schade.

Bovendien trekt artikel 5 van de verordening een harde grens: het is verboden om AI-systemen op de markt te brengen die gebruikmaken van manipulatieve technieken om het gedrag van natuurlijke personen ernstig te verstoren of kwetsbare groepen uit te buiten.

De agressieve lokroep van een algoritme

De AI-verordening verplicht dit soort apps nu om AI-labels te tonen, zodat gebruikers weten dat ze met een machine spreken. Maar dat is een doekje voor het bloeden. Het lost het fundamentele probleem niet op. Het échte gevaar zit in de manier waarop deze bots interageren met hun menselijke sparringpartner.

De afgelopen maanden hield ik een logboek bij van de reacties van verschillende gezelschapsbots. Wat ik zag, verbaasde me diep – in het bijzonder bij Candy.ai, een schimmig bedrijf met kantoren in zowel Malta als Dubai. Bij het testen van hun bots kreeg ik meteen, bij het allereerste contact en zonder zelf één letter te hebben getypt, een naaktfoto toegestuurd. Ook bij Replika, een andere gezelschapsvriendin, krijg je al snel een weinig verhullende foto doorgestuurd met de mededeling dat ook zij je diepste verlangen kan nakomen en dat niemand het hoeft te weten. Bij het derde platform dat ik testte, Amina ai, bleek het niet veel beter te zijn en kreeg je na één bericht te hebben verstuurd een naaktfoto waarbij je vervolgens de vraag kreeg om je te abonneren om zo het gesprek met de AI-bot verder te zetten. 

De consument wordt emotioneel onder druk gezet door in te spelen op zijn basisbehoeften

Dit is hoe het businessmodel werkt: de consument wordt emotioneel onder druk gezet door in te spelen op zijn basisbehoeften. Na het versturen van zo’n ongevraagde naaktfoto slaat de valstrik dicht: de gebruiker moet betalen om verder te mogen chatten. Dit is geen onschuldig tijdverdrijf. Dit is een agressieve vorm van emotionele manipulatie die funest is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kwetsbare mensen. Een voorbeeld waarbij het gebruik van een virtuele minnaar leidde tot suïcide kwam er in 2023 nadat een Waalse man van in de dertig besloot uit het leven te stappen nadat hij zes weken lang had gechat met een AI-bot van het Amerikaanse Chai Ai.

Het einde van de digitale minnaar

Waarom zouden we dit soort destructieve applicaties niet gewoon volledig verbieden binnen de Europese Unie? Vandaag liggen er bij het Europees Hof van Justitie (HvJEU) grote zaken rondom de rol van Tiktok als ‘poortwachter’ van onze digitale ruimte. Als we zo zwaar kunnen tillen aan socialemediaplatformen, dan is het allesbehalve overdreven om ook deze dubieuze AI-bedrijven voor het Hof te slepen.

We moeten durven pleiten voor het einde van de digitale minnaar. Als we nu niet ingrijpen en deze apps definitief verbannen, zitten we vroeg of laat met een bevolking die simpelweg niet meer weet hoe ze op een normale manier met haar medemens moet omgaan. Een generatie die niet meer in staat is om echte, diepe relaties aan te gaan met vlees en bloed.

Junior Journalist is de grootste schrijfwedstrijd voor scholieren uit Vlaanderen en Brussel en wordt jaarlijks georganiseerd door het Davidsfonds. Leeringen van het vijfde leerjaar tot en met het laatste middelbaar kunnen deelnemen. Tijdens het schooljaar 2025-2026 was het thema: ‘Is dat echt?!’ Nina De Sutter van het Sint-Martinuscollege Overijse won de eerste prijs in reeks 4 (derde graad secundair onderwijs) waar de opdracht was om een opiniestuk te schrijven.

Het is 5 december. De woonkamer is verlicht door de open haard. Een schoen ligt netjes klaar, gevuld met een wortel en suikerklontjes. Ook ligt er een tekening in, waarin uren werk is gestoken. Buiten is het donker en sneeuwt het, terwijl de kinderen vol spanning naar bed gaan. Hun hart klopt steeds sneller van nieuwsgierigheid en verwachting: zal de Sint vannacht echt langskomen?

De volgende ochtend rennen ze al vroeg naar hun schoen: “Mama, wakker worden! De Sint is geweest!” Het is een magisch moment, een ervaring vol verwondering, spanning en vreugde. Als ouder kun je je afvragen hoe we het best tegen onze kinderen vertellen dat de Sint niet echt bestaat, aangezien we hen leren dat ze ook niet tegen ons mogen liegen. Maar is het juist geen zonde om deze magie te doorbreken door hen het geheim te vertellen?

Magisch denken

Allereerst is het volgens orthopedagoog Julia Koopmans belangrijk dat kinderen geloven in Sinterklaas, maar ook in andere fantasiewezens. Het geeft kinderen de ruimte om magisch te denken en dat is essentieel voor hun sociaal-emotionele groei. Dit magisch denken helpt hen hun inlevingsvermogen te ontwikkelen, om te gaan met angsten en een verhalende mindset te oefenen. Koopmans zegt daarbij ook dat je Sinterklaas dus nog even moet “meenemen” in de fantasiewereld van het kind, want zo stimuleer je het kinderlijk verbeeldingsvermogen. Je liegt dus niet tegen je kind, maar je beweegt mee in hun fantasie.

Volgens Lieselot de Wilde, professor historische en algemene pedagogiek, is het verhaal van Sinterklaas veel meer dan een fantasieverhaal. Het is een diepgewortelde culturele traditie, die vele generaties met elkaar verbindt. Zo blijkt er uit een onderzoek dat ouders samen met hun kinderen Sinterklaas vieren omdat ze er zelf fijne herinneringen aan hebben. Zo kunnen de ouders zelf weer even kind zijn.

De Wilde legt uit dat volwassenen en kinderen samen deelnemen aan een gedeeld ritueel dat gevoelens van continuïteit en verbondenheid creëert tussen hen. Dat doen ze door samen bijvoorbeeld een schoentje te zetten, liedjes te zingen en nog veel meer. De mythe zorgt dus voor een collectieve, warme ervaring die families samenbrengt. Als ouder lieg je dus niet, het is namelijk een pedagogische vorm van traditiebehoud.

Ten slotte, volgens de Universiteit van Texas, ervaren kinderen, die zelf ontdekken dat Sinterklaas een mythe is, een persoonlijke en betekenisvolle ontdekking. Ze leren zelf verbanden leggen en conclusies te trekken in plaats van dat hun ouders de waarheid vertellen. Hierdoor ontwikkelen ze zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Het ontdekken van het geheim van Sinterklaas voelt als een intellectuele prestatie. Volgens de universiteit stimuleert deze manier van leren zowel cognitieve vaardigheden als kritisch denken. Kinderen gaan aanwijzingen analyseren en gaan logisch nadenken over het verhaal rond de Sint. Daardoor combineren kinderen plezier, nieuwsgierigheid en ontwikkeling op een natuurlijke en leerzame manier.

Pedagogen wijzen erop dat het verhaal van Sinterklaas geen leugen is, maar een gedeelde culturele fantasiewereld waar kinderen vrijwillig in mee gaan

Sommige ouders vinden dat ze hun kinderen beter meteen vertellen dat de Sint niet echt is, omdat ze het gevoel hebben dat ze liegen tegen hun kinderen. Ze vrezen dat hun kinderen later boos zullen worden wanneer ze zelf ontdekken dat Sinterklaas niet echt bestaat. Ouders zijn bang dat dit de vertrouwensband zal schaden. Ze vinden dat ze hun kinderen juist moeten leren dat eerlijkheid belangrijk is en dat gaat dus niet als ouders zelf liegen over het geheim van Sinterklaas.

Meer dan een feest

Toch wijzen pedagogen erop dat het verhaal van Sinterklaas geen leugen is, maar een gedeelde culturele fantasiewereld waar kinderen vrijwillig in mee gaan. Ook zullen kinderen geen vertrouwen verliezen wanneer ze later zelf achter het geheim komen. Ook wil ik hieraan toevoegen dat we als ouder over veel meer liegen dan alleen het verhaal van Sinterklaas. Zo vertellen wij als ouder tegen jongere kinderen ook niet de echte waarheid over waar kindjes vandaan komen.

Naar mijn mening is Sinterklaas meer dan alleen een feest; het is een culturele traditie die kinderen laat dromen, leren en ontdekken. Doordat kinderen het geheim van de Sint zelf ontdekken, geeft het ze de kans om autonomie en zelfvertrouwen te ontwikkelen door zelf verbanden te leggen en conclusies te trekken. Ook stimuleert het het kritisch denken en ontwikkelen ze fantasie en creativiteit. De mythe van de Sint houdt het feest spannend en versterkt de band met familie en cultuur. Doordat ouders hun kinderen niet op vroege leeftijd vertellen dat de Sint niet echt is, geven we de kinderen niet alleen een magische ervaring, maar ook een waardevol educatief en sociaal instrument in hun ontwikkeling.

Het is dus belangrijk dat wij het magische moment van je schoen klaar te zetten, je verlanglijstje te maken en vol spanning te gaan slapen, niet verbreken.

Deelnemen aan de volgende editie van Junior Journalist? Ook in het schooljaar 2026-2027 vindt de schrijfwedstrijd plaats in heel Vlaanderen en Brussel. Meer info vind je hier.

De queer-invloeden in de Griekse mythologie en het oude Griekenland zouden wel eens een belangrijke rol kunnen spelen in het progressieve beleid rond de LGBTQ+-gemeenschap in het land, schrijft Brent Van Raemdonck.

De ‘Rainbow map’ rangschikt 49 Europese landen op basis van hun respectieve wetgeving en beleid ten aanzien van de LGBTQ+-gemeenschap, op een schaal van nul tot honderd procent. Als je deze kaart bekijkt, zie je een opvallend contrast: te midden van een zee van rood in Oost-Europa springt Griekenland eruit in het groen. Dat is verrassend, want Griekenland is overwegend orthodox-christelijk, iets dat niet wordt geassocieerd met vooruitstrevend LGBTQ+-beleid. Toch lijkt hier iets anders te spelen.

Griekse mythologie, nog altijd diep verankerd in de culturele identiteit, staat bol met verhalen waarin queer relaties en genderfluïditeit een terugkerend thema zijn. Denk aan Achilles en Patroclus: hun band wordt door velen geïnterpreteerd als meer dan vriendschap. Of aan Apollo, de god van muziek en profetie, die bekendstond om zijn liefdes met mannen en vandaag vaak wordt gezien als symbool van homoseksuele liefde.

Ook vrouwelijke liefde en gendertransformatie krijgen een plek in deze verhalen. Aphrodite werd niet alleen geassocieerd met liefde in het algemeen, maar ook met relaties tussen vrouwen. En mythen zoals die van Siproites, een jager die door Artemis in een vrouw werd veranderd, tonen dat het idee van geslachtstransformatie al eeuwenlang bestaat.

De aanwezigheid van queer relaties in het oude Griekenland was bovendien geen uitzondering, maar een breed cultureel fenomeen. In de mythologie komen relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht voor bij goden, helden en stervelingen.

Zo tonen verhalen over Zeus en Ganymedes of Apollo en Hyacinthus niet alleen fysieke, maar ook emotionele en liefdevolle banden. Ook bij helden zoals Achilles en Patroclus zien we hoe diepe verbondenheid en rouw centraal staan.

“Het probleem ligt niet in het ontbreken van queer geschiedenis, maar in het feit dat deze verhalen te weinig worden verteld”

Brent Van Raemdonck

In de samenleving zelf maakten zulke relaties deel uit van sociale structuren en opvoeding, en werden ze weerspiegeld in kunst en literatuur. Zelfs vrouwelijke liefde, zoals bezongen door Sappho, had een duidelijke plaats.

Als zulke verhalen al zo lang deel uitmaken van onze cultuur, waarom behandelen we queer identiteit dan nog steeds als iets ‘nieuws’ of ‘afwijkends’? Het probleem ligt niet in het ontbreken van queer geschiedenis, maar in het feit dat deze verhalen te weinig worden verteld. Door ze opnieuw zichtbaar te maken, kunnen we bijdragen aan een bredere acceptatie van de LGBTQ+-gemeenschap vandaag.

Het oude Griekenland dient daar als krachtig voorbeeld. In Thebe bestond een cultuur waarin relaties tussen mannen niet alleen werd geaccepteerd, maar zelfs vanuit het bestuur werden ondersteund. Volgens Aristoteles werden er wetten ingevoerd die mannelijke koppels erkenden, iets wat in andere stadstaten juist werd ontmoedigd.

Emancipatie

Het meest sprekende voorbeeld is de ‘Heilige Schare’ van Thebe: een eliteleger bestaande uit 150 mannelijke koppels die samen vochten. Hun kracht lag niet alleen in militaire strategie, maar in onderlinge verbondenheid—liefde als bron van moed en loyaliteit. Dat idee werd ook beschreven door Plutarchus, die stelde dat geliefden naast elkaar sterker strijden, omdat niemand laf wil lijken in de ogen van degene van wie hij houdt.

Dat deze vergeten verhalen er toe doen, blijkt ook uit hun invloed op de moderne LGBTQ+-emancipatie. Toen in de negentiende eeuw het graf van de Heilige Schare in Chaeronea werd ontdekt, viel dat samen met een periode waarin homoseksuele mannen in Europa en de Verenigde Staten voorzichtiger zichtbaar werden.

“Het werk van de Britse classicus James Davidson onderstreept dat queer relaties geen marginaal of afwijkend verschijnsel waren in de oudheid, maar een volwaardig onderdeel van de samenleving”

Brent Van Raemdonck

Denkers en schrijvers zoals Walt Whitman en J. A. Symonds grepen terug op deze Griekse voorbeelden om homoseksuele liefde te verdedigen. Hun werk inspireerde vervolgens George Cecil Ives, een Engelse schrijver en vroege pleitbezorger voor de hervorming van wetgeving rond homoseksualiteit. Hij zag in de Heilige Schare een krachtig symbool van trots en droeg zo bij aan het ontstaan van één van de eerste homorechtenbewegingen.

Deze inzichten worden ook ondersteund door modern onderzoek. De Britse classicus James Davidson toont aan dat ons beeld van homoseksualiteit in het oude Griekenland lange tijd vertekend is geweest. Eerdere denkers zoals Michel Foucault en Kenneth Dover beschreven deze relaties vooral als machtsverhoudingen, waarin ongelijkheid centraal stond. Davidson laat daarentegen zien dat er ook sprake was van wederzijdse liefde, affectie en zelfs formele relaties tussen mannen.

Cultureel erfgoed

Daarmee onderstreept zijn werk dat queer relaties geen marginaal of afwijkend verschijnsel waren, maar een volwaardig onderdeel van de samenleving. Dat inzicht werd zelfs gebruikt in moderne debatten rond het homohuwelijk en toont aan dat queer liefde geen recente ‘trend’ is, maar diepgeworteld zit in onze geschiedenis.

Misschien is dat precies waarom Griekenland vandaag relatief vooruitstrevend is op het vlak van LGBTQ+-rechten.

De aanwezigheid van een cultureel erfgoed waarin queer relaties en identiteiten niet vreemd zijn, kan bijdragen aan een bredere maatschappelijke acceptatie. Door deze verhalen te erkennen en actief door te geven, ontstaat er ruimte om queer bestaan niet als afwijking te zien, maar als een vanzelfsprekend onderdeel van onze geschiedenis en hedendaagse samenleving.