© Pixabay

Vechten is slecht en oorlog is fout. Wat kunnen we kinderen, en breder: onze samenleving, nog bijbrengen op 11 november? De romantische verhalen zijn al verteld. Eindelijk wordt het tijd voor een échte her-denking.

Wat betekent 11 november eigenlijk nog? Generatie Z zou geen oren meer hebben naar twee wereldconflicten. Oma en opa zijn te laat geboren. Mijn cohorte is de laatste die op schoot nog luisterde naar eerstelijnsverhalen over den Duits en zijn streken. Schluss damit?

Hopelijk niet. Geen eeuw heeft onze samenleving zo bepaald als de twintigste. Nu de laatste getuigen van ook de Tweede Wereldoorlog er een voor een het loodje bij leggen, is het meer dan ooit nodig hun nalatenschap veilig te stellen.

Niet onder een glazen stolp, maar in de publieke arena: open voor kritiek en discussie. Maar al te vaak wordt de geschiedenis gekaapt door romantici. Drie jaar geleden schreef ik al hoe we ons de kaas van het brood lieten eten door Britse nationalisten. Ik zat in mijn laatste jaar aan de KU Leuven en deed in Ieper thesisonderzoek naar hoe de herdenking van honderd jaar Groote Oorlog vorm gaf aan gedeelde identiteiten bij overzeese bezoekers.

Geromantiseerd epos

Wat ik zag was een geromantiseerd epos waarin soldaten helden werden en de Union Jack hoog wapperde boven een duizelingwekkend spektakel dat de slag bij Passendale herdacht. Dat een half miljoen jonge kerels niet voor het vaderland stierven, maar om enkele modderige meters terreinwinst (die bij de Vierde slag om Ieper weer werden ingenomen door onze oosterburen), werd terloops nauwelijks vermeld. De indrukwekkende, maar ook pompeuze Menenpoort als stille getuige van hoe we oorlog en conflict al bijna een eeuw herdenken. Over de doden niets dan goeds.

We hebben zeven jaar geleden een kans gemist om enkele gitzwarte bladzijden écht te her-denken. De hele nooit-meer-oorlog-gedachte is goedkoop als we geen kritische vragen durven stellen. Als we de geopolitieke conflicten en sociaal-culturele spanningen van vandaag niet in het licht van de dagen en daden van onze voorouders kunnen zetten.

We weten allemaal dat een pennenstreek in een treinwagon in Compiègne op 11 november 1918 een formeel einde maakte aan vier jaar intensief bloedvergieten. Dat twee jaar eerder een handtekening tussen Britten en Fransen explosies en terreurgeweld in Parijs en Zaventem zouden veroorzaken, is minder in het collectieve geheugen gegrift.

Kolonialisme

Nog tot op vandaag verwijst terreurgroep IS bijvoorbeeld naar het in hun ogen vileine Sykes-Picotverdrag (1916) waarin beide grootheden de tribaal-islamitische wereld onder hen twee verdeelden, waarna het Arabisch nationalisme wortel schoot.

We leren kinderen massaal dat een cyanidepil, een kogel en twee atoombommen het einde van het Tweede grote wereldconflict inluidden. Dat hun schoolkameraden tegenwoordig Mohammed en Samira heten, omdat arbeidsmigranten de post-oorlogse heropleving van de Europese economie hielpen bewerkstelligen, weten ze zelden.

Of wat met de Algerijnen die hun leven gaven onder Franse vlag, maar naar onafhankelijkheid konden fluiten? Dat territoriumdrift en opgefokt nationalisme niet enkel aanleiding gaven tot een Duitse inval, maar ook tot heel wat Europese kolonies. Beide wereldoorlogen spelen geen onbelangrijke rol in het huidige dekoloniseringsdebat.

Daarin biedt het interbellum misschien wel kansen. Nog tot 2039, honderd jaar na Duitse de inval van Polen, zal je grote krantenredacties nauwelijks zien schrijven over bombastische herdenkingsmomenten of illustere oorlogshelden. Laat ons van die relatief lange mediapauze gebruikmaken om nu eens écht werk te maken van een diversere en genuanceerdere collectieve nagedachtenis.

vorige volgende