Open brief aan minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt (N-VA): “Migratie is meer dan een cijfer”

Op achtjarige leeftijd moest Fatima Noori Afghanistan ontvluchten. Vandaag richt ze zich met een open brief tot minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt. “Ik vraag u niet om grenzen af te schaffen of problemen te ontkennen, maar om te kijken naar wie de migranten zijn, waarom ze naar België komen, welke rechten ze hebben en wat er gebeurt nadat een beslissing over hun leven is genomen.”

Geachte minister Van Bossuyt, ik schrijf u niet omdat ik denk dat migratiebeleid eenvoudig is. Ik schrijf u niet als journalist of burger. Ik schrijf u als iemand die ooit als kind op de vlucht was. Op achtjarige leeftijd moest ik Afghanistan verlaten. Ik begreep niets van oorlog, internationale politiek of geopolitieke belangen, alleen dat de wereld die ik kende plots onzeker werd. Wat als mijn toekomst afhankelijk was van de beslissing van iemand die mij nooit heeft ontmoet?

Migratie is meer dan asiel

Het migratiedebat gaat vaak alleen maar over asiel en vluchtelingen, terwijl dat slechts een onderdeel is. Een asielzoeker, een arbeidsmigrant, een internationale student, een Europese werknemer, een Belg die terugkeert uit het buitenland, een kind dat zich bij zijn ouders voegt, iemand zonder wettig verblijf: allemaal vallen ze onder het brede begrip ‘migranten’.

De cijfers tonen hoe breed die werkelijkheid is. In 2025 registreerde België volgens Statbel 177.094 immigraties. De grootste nationaliteitsgroep onder de mensen die naar België immigreerden, bestond uit Belgen, gevolgd door Roemenen en Fransen. Migratie gelijkstellen aan asiel geeft dus een onvolledig beeld. Bovendien blijkt uit cijfers van federaal migratiecentrum Myria dat werk in 2024 de belangrijkste verblijfsreden was bij EU-burgers die een eerste verblijfstitel kregen in België.

“Is het migratiebeleid geslaagd als minder mensen asiel aanvragen?“

Fatima Noori

In 2025 vroegen 34.439 mensen internationale bescherming aan in België, 13 procent minder dan in 2024. Is het beleid geslaagd als minder mensen asiel aanvragen? Als ze terugkeren? Of als gezinshereniging moeilijker wordt? Een minister mag een streng migratiebeleid voeren, maar dat wil niet zeggen dat die boven de rechtsstaat staat.

De grenzen van het migratiebeleid

Op 26 februari schorste het Grondwettelijk Hof verschillende bepalingen over de opvang van verzoekers om internationale bescherming. Op 21 mei vernietigde het Hof bepalingen waarmee de mogelijkheid werd afgeschaft om in bijzondere omstandigheden opvang in financiële vorm toe te kennen. Volgens het Hof botste die afschaffing met het Europese recht en verschillende grondrechten en kon ze een aanzienlijke achteruitgang betekenen van onder meer het recht op menselijke waardigheid, maatschappelijke hulp, behoorlijke huisvesting en het privé- en gezinsleven.

Ook de Raad van State (RVS) heeft uw beleid begrensd. Nadat u Fedasil op 2 maart de instructie gaf om materiële hulp te beperken voor mensen die al internationale bescherming hadden gekregen in een andere EU-lidstaat, schorste de Raad van State die beslissing op 27 maart. De betrokken personen liepen volgens de RVS het onmiddellijke risico volledig behoeftig te worden en op straat te moeten slapen.

Bovendien was de vereiste juridische procedure niet gevolgd. Op 8 juli werd opnieuw een beslissing over de beperking van materiële hulp geschorst. De minister had volgens de RVS niet aangetoond dat de aanvragen in kwestie konden worden beschouwd als ‘volgende aanvragen’ waarvoor de hulp beperkt mocht worden.

Het is duidelijk dat het huidige systeem problemen heeft, maar als rechterlijke instanties meermaals ingrijpen, gaat de discussie dan nog over hoeveel mensen naar België komen of over de manier waarop we hen behandelen?

Veilige terugkeer?

In juni nam België samen met veertien andere EU-lidstaten deel aan een bijeenkomst van de Europese Commissie met vertegenwoordigers van de taliban over de terugkeer van Afghanen. Volgens de Europese Commissie zochten verschillende lidstaten manieren om onder meer mensen die ernstige misdrijven hadden gepleegd of mogelijk een veiligheidsrisico vormden naar Afghanistan terug te sturen. Uw kabinet bevestigde de Belgische deelname.

Ik begrijp dat regeringen soms moeten spreken met regimes die zij niet erkennen. Ik begrijp ook waarom de overheid wil kunnen optreden tegen iemand die hier ernstige misdrijven pleegt en geen verblijfsrecht heeft. Maar de vraag blijft wat veilige terugkeer betekent wanneer er wordt onderhandeld met een regime dat fundamentele rechten zwaar beperkt, in het bijzonder die van vrouwen en meisjes.

“Mijn verhaal mag niet gebruikt worden om alle migratie te verklaren, net zoals een verhaal over fraude, criminaliteit of mislukte integratie niet gebruikt mag worden om iedereen met een migratieachtergrond te beoordelen“

Fatima Noori

Mijn band met dat onderwerp is persoonlijk. Toen ik mijn ouders tijdens onze vlucht vroeg waar we naartoe gingen, antwoordden ze: “Zo ver mogelijk.” Pas later begreep ik dat ze niet op zoek waren naar het rijkste land of het gemakkelijkste systeem. Ze zochten een plek waar we veilig konden zijn. Maar mijn verhaal is slechts één migratieverhaal. Het mag niet gebruikt worden om alle migratie te verklaren, net zoals één verhaal over fraude, criminaliteit of mislukte integratie niet gebruikt mag worden om iedereen met een migratieachtergrond te beoordelen.

Eerlijk gesprek over migratie

Problemen mogen benoemd worden. Misbruik bestaat en integratie lukt niet altijd. De opvang staat onder druk, procedures duren te lang en het terugsturen van mensen zonder verblijfsrecht blijkt in de praktijk moeilijk. Maar wanneer migratie zelf voortdurend als probleem wordt voorgesteld, bestaat het gevaar dat ook mensen als probleem worden gezien.

Ik vraag u niet om grenzen af te schaffen of problemen te ontkennen, maar om te kijken naar wie de migranten zijn, waarom ze naar België komen, welke rechten ze hebben en wat er gebeurt nadat een beslissing over hun leven is genomen. Wat als mijn toekomst afhankelijk was van de beslissing van iemand die mij nooit heeft ontmoet?

België gaf me ooit de kans om opnieuw te beginnen. Daardoor kon ik naar school gaan, leerde ik schrijven en kan ik vandaag openlijk het beleid van een minister in vraag stellen. België gaf me een stem, die ik niet alleen gebruik voor mensen met hetzelfde verhaal als ik, maar voor een eerlijker gesprek over migratie.

Opinie | Europa wil goedkope import aanpakken: wie betaalt de prijs?

Goedkope pakjes uit webshops worden binnenkort een stuk duurder. De Europese Unie wil de invoer aanpakken, maar wie wordt daar uiteindelijk beter van: de consument of vooral de tussenhandel?

Een tuinsproeier lijkt op het eerste gezicht weinig met Europese handelspolitiek te maken te hebben. Toch deed een recente aankoop mij nadenken over de manier waarop Europa omgaat met goedkope producten uit China.

Onlangs kocht ik op AliExpress voor ongeveer vijf euro een tuinsproeier met verschillende sproeistanden. Niet veel later zag ik in een gewone winkel voor ongeveer dertig euro een sproeier die er hetzelfde uitzag en dezelfde functies had. Ik kan niet met zekerheid zeggen dat beide producten in dezelfde fabriek zijn gemaakt, maar een verschil was nauwelijks te zien.

Een Europese winkel heeft extra kosten voor personeel, huisvesting, voorraad, garantie en productcontrole. Een importeur moet invoerrechten en btw betalen, Europese productregels naleven en verantwoordelijkheid opnemen wanneer er iets misgaat. Een hogere verkoopprijs is dus gedeeltelijk te verklaren. Maar waarom wordt een product problematisch wanneer ik het rechtstreeks bij een Chinese verkoper koop, maar aanvaardbaar zodra een Europese tussenhandelaar het importeert en voor een veelvoud van de prijs doorverkoopt? Nu Europa opnieuw extra heffingen op zulke rechtstreekse aankopen wil invoeren, wordt die vraag alleen maar relevanter.

Rekening voor de klant?

In juli werd al een tijdelijke invoerheffing ingevoerd van drie euro op goedkope e-commerce importen van landen buiten de Europese Unie. Nu heeft de Europese Commissie een bijkomende afhandelingstaks van twee euro voorgesteld. Die moet vanaf november de stijgende kosten van de douane helpen financieren. Juridisch gezien moeten de platforms, verkopers of vervoerders die kosten dragen maar de kans is groot dat zij de kosten geheel of gedeeltelijk doorrekenen aan hun klanten.

De reden daarvoor is begrijpelijk: in 2025 kwamen bijna zes miljard goedkope e-commerce artikelen de Europese Unie binnen. Meer dan negentig procent daarvan was afkomstig uit China. De douane moet controleren of deze producten veilig zijn, correct worden aangegeven en aan de Europese regels voldoen. Dat vraagt personeel, digitale systemen en fysieke controles. Het is dan ook logisch dat platforms zoals Shein, Temu en AliExpress hun verantwoordelijkheid moeten opnemen.

De maatregelen treffen vooral prijsbewuste consumenten zoals gezinnen met een beperkt inkomen en de lagere middenklasse

Sommige boetieks en webwinkels kopen goederen bij fabrikanten of groothandelaars buiten Europa en verkopen die daarna met een hogere prijs door. Soms gaat het om een product dat consumenten ook rechtstreeks op AliExpress of een ander platform kunnen vinden. Bij grote modeketens zoals Zara, Bershka, H&M en Primark is dat anders. Zij laten ook hun kleding buiten Europa produceren maar werken met eigen ontwerpen, collecties en leveranciers.

De productie-impact verdwijnt dus niet doordat er een Europees merk of een Europese winkel tussen staat. Waarom wordt een product dan verdacht wanneer een consument het rechtstreeks bestelt, maar aanvaardbaar zodra een Europese handelaar het importeert en met winst doorverkoopt? De Europese importeur zorgt voor extra controle en juridische verantwoordelijkheid, maar de oorspronkelijke productieomstandigheden en gebruikte materialen veranderen daardoor niet.

Voor iemand die een duur luxegoed koopt, maakt twee of drie euro nauwelijks verschil maar voor wie bewust naar het goedkoopste alternatief zoekt, kan het een aanzienlijk deel van de aankoopprijs zijn. De maatregelen treffen dus vooral prijsbewuste consumenten zoals gezinnen met een beperkt inkomen en de lagere middenklasse. Voor hen is goedkoop online winkelen niet altijd gedachteloze overconsumptie. Het kan ook een manier zijn om noodzakelijke aankopen betaalbaar te houden.

Duurder maar niet beter

Dat de Europese textielsector voor strengere maatregelen lobbyt, is geen geheim. Begin september kwam de sector samen op de vakbeurs Première Vision nabij Parijs. Daar vroeg Euratex, de Europese koepelorganisatie van de textielindustrie, om de afhandelingstaks niet op twee, maar op tien euro per pakket vast te leggen. Ook Franse textielfederaties steunden die oproep. Wanneer die sector voordeel haalt uit het duurder maken van rechtstreekse aankopen, mag de consument zich afvragen wat hier het zwaarst doorweegt: productveiligheid of bescherming tegen goedkope concurrentie.

Een zekere mate van Europees protectionisme is begrijpelijk maar het mag innovatie niet in de weg staan

Ook Frankrijk heeft ondertussen afzonderlijke maatregelen genomen tegen ultrafastfashion. Daar geldt een ecologische bijdrage die in de praktijk vooral platforms zoals Shein viseert. Tegen 2030 kan die bijdrage voor bepaalde kledingstukken oplopen tot ongeveer 19,50 euro. Klassieke Europese fastfashionketens worden veel minder zwaar getroffen. Daardoor ontstaat de indruk dat niet alleen het vervuilende bedrijfsmodel wordt aangepakt, maar ook de buitenlandse herkomst van de concurrent.

Een zekere mate van Europees protectionisme is begrijpelijk maar het mag innovatie niet in de weg staan. Als Europa buitenlandse concurrenten alleen duurder maakt, vermindert de druk op Europese retailers om hun prijzen, digitale dienstverlening, logistiek en productieketens te verbeteren. De consument betaalt dan meer, terwijl het Europese aanbod niet noodzakelijk beter of duurzamer wordt.

Mijn tuinsproeier van vijf euro wordt geen beter product wanneer een Europese winkel hem voor dertig euro verkoopt. Het is dus terecht dat buitenlandse platforms aan dezelfde regels worden onderworpen. Maar als Europa werkelijk de consument wil beschermen, moet het ook opletten dat die consument niet telkens degene is die de volledige rekening betaalt.

Column | Wie ben ik zonder job?

Een job is meer dan een manier om geld te verdienen. Het is vaak ook het eerste wat we over onszelf vertellen. Wat als het antwoord ontbreekt?

Als we iemand voor het eerst ontmoeten, stellen we al snel de vraag: wat doe je? Wat we eigenlijk bedoelen: wat is jouw job? Alsof we via het antwoord een klein stukje van die persoon kunnen begrijpen. Maar wie ben je eigenlijk als je geen job hebt?

In België bedroeg de jeugdwerkloosheidsgraad volgens Statbel in het tweede kwartaal van 2026 18,2 procent bij jongeren van 15 tot 24 jaar. Bij laaggeschoolden lag de werkloosheidsgraad op 15,5 procent, tegenover 3,7 procent bij hooggeschoolden.

Ik denk niet graag in cijfers, want achter die 18,2 procent zit een persoon. Iemand die vanochtend wakker werd en opnieuw vacatures opende. Iemand die een sollicitatie stuurde en daarna de hele dag naar zijn telefoon keek. Iemand die Nederlands leert en ondertussen probeert uit te leggen dat die meer kan dan wat er op zijn cv staat. Iemand die al zo vaak “nee” heeft gehoord dat het woord langzaam iets over zichzelf begint te zeggen. En dat is waar ik bang voor ben. Niet alleen dat iemand zonder werk zit maar dat iemand op een dag begint te denken: misschien ben ik het probleem.

Meer dan een cv

We vragen elkaar zelden: wie ben je? Het lijkt wel alsof een job iemands identiteit volledig bepaalt. Een job levert niet alleen geld op, het geeft je ook ritme, mensen om je heen, ervaring en een gevoel dat je ergens bij hoort. Maar daardoor kan er iets vreemds gebeuren. We beginnen onze waarde te koppelen aan wat we produceren. Alsof een mens pas zichtbaar wordt wanneer die iets doet dat op een cv past. Maar stel je voor dat we alles weghalen. Geen job, geen diploma, geen salaris, geen functietitel, wie ben je dan?

We moeten eerlijk zijn: niet iedereen begint op dezelfde plaats. Daarom is ‘probeer gewoon harder’ een te klein antwoord op een te groot probleem

Werkloos zijn betekent niet automatisch dat je niets doet. Sommige mensen zoeken elke dag werk. Anderen leren een taal, volgen een opleiding of doen vrijwilligerswerk. Sommigen zorgen thuis voor iemand of zijn gewoon even moe. Dat laatste vergeten we soms. Niet iedereen die stilstaat, is lui. Sommige mensen zijn gewoon even aan het proberen opnieuw te beginnen. En natuurlijk hebben we ook een verantwoordelijkheid tegenover onszelf. We kunnen zoeken, leren, vragen stellen, hulp zoeken en nieuwe dingen proberen.

We moeten eerlijk zijn: niet iedereen begint op dezelfde plaats. De cijfers laten dat ook zien. Daarom is “probeer gewoon harder” een te klein antwoord op een te groot probleem. Wat als je deze tijd anders bekijkt? Misschien is een periode zonder werk niet alleen een lege plek op je cv maar ook een tussenruimte. Een plaats tussen wat je was en wie je aan het worden bent. Je kunt een taal leren, een cursus volgen, vrijwilligerswerk doen, een idee proberen, schrijven, een podcast beginnen, mensen ontmoeten. Of ontdekken dat de richting die je jarenlang voor jezelf zag, eigenlijk helemaal niet jouw richting is. En nee, je hoeft niet elke dag iets indrukwekkends te doen, je bent geen machine. Je mag een dag hebben waarop je niets bereikt, je mag twijfelen, je mag moe zijn, maar probeer één ding niet te doen: je hele leven uitstellen tot iemand je een baan geeft.

Tussenhoofdstuk

Misschien ben je niet gewoon werkloos, maar onderweg. Iemand die vandaag nog niet weet waar die thuishoort, is niet automatisch verloren. Misschien ben je gewoon nog onderweg, en dat ziet er niet altijd mooi uit. Soms ziet het eruit als wachten, twijfelen of opnieuw beginnen. Soms als een lege inbox of een afgewezen sollicitatie. Of als wakker worden en niet weten wat je volgende stap is. 

Een tussenhoofdstuk is nog altijd een hoofdstuk. Dus als je vandaag geen werk hebt, probeer dan niet te denken: “Ik ben niemand.” Je bent iemand die nog onderweg is naar een antwoord.

Opinie | Hoe neutraliteit een excuus werd om de hoofddoek te bannen uit openbare functies

Het hoofddoekendebat laait weer op. Sinds dit schooljaar zijn hoofddoeken verboden in de provinciale scholen van Oost-Vlaanderen. Eerder deze week werd een leerkracht ontslagen omdat ze weigerde haar hoofddoek af te zetten. Opnieuw klinkt het argument van neutraliteit. Voor reporter Johanna Thijssen is dat de aanleiding om het debat opnieuw onder de loep te nemen.

Ik neem je mee naar mijn katholieke middelbare school in Hasselt in het jaar 2014. Iedere ochtend wanneer de meisjes die een hoofddoek dragen de school binnenlopen, doen ze hun hoofddoek af. Het moment dat ze de schoolpoort naderen op het einde van de dag, doen ze hun hoofddoek weer aan. Als tiener stelde ik me hier verrassend weinig vragen bij.

Onze school stond bekend om een resem absurde regels en eisen aan haar leerlingen. Je haar kleuren mocht alleen in ‘natuurlijke’ haarkleuren. Een vriendin van mij die haar haar knalroze, paars of blauw verfde, werd daarvoor meermaals bij de directie geroepen. Om maar te zeggen: het hoofddoekenverbod paste voor mij in die reeks aan belachelijke regels om een zogezegde neutraliteit te handhaven.

Het is pas op mijn eerste job bij de overheid dat ik weer in contact kom met de reglementering rond het dragen van een hoofddoek in openbare functies. Ik was rekruteerder voor een federale overheidsinstelling die werkloosheidsuitkeringen uitbetaalt. Die welbepaalde instelling kampte met een personeelstekort en een sterk personeelsverloop. Simpel gezegd: we konden goede werknemers gebruiken.

Mijn baas vertelde me, beschaamd, dat we jammer genoeg iedere persoon moesten afwijzen die een hoofddoek droeg als die weigerde die af te zetten voor een functie achter het loket. “In functie van de neutraliteit” mochten medewerkers geen religieuze symbolen dragen als ze in contact kwamen met de burger. Ik voelde meteen een knoop in mijn maag: ik begon nog maar aan mijn eerste job en hier moest ik al mijn principes overboord gooien voor een loonbrief aan het einde van de maand.

Zogenaamde neutraliteit

Overheidsinstellingen kunnen kiezen tussen exclusieve neutraliteit, inclusieve neutraliteit en een gemengde invulling van neutraliteit. Bij exclusieve neutraliteit zijn religieuze tekens niet toegestaan, bij inclusieve neutraliteit wel. Volgens Unia is de invulling van het neutraliteitsprincipe een politieke en maatschappelijke keuze, geen juridische. Waar ik werkte, gold er een gemengde invulling. Vrouwen met een hoofddoek werkten achter de schermen, voor de schermen waren hoofddoeken niet toegestaan.

“In onze openbare instellingen wordt neutraliteit graag gelijkgesteld aan een westers uiterlijk“

Johanna Thijssen

Tegenstanders beweren dat iemand met een hoofddoek niet neutraal is. Om even een open deur in te trappen: niemand is volledig neutraal. De manier waarop je je kleedt, hoe je spreekt of hoe je je gedraagt, is cultureel bepaald. Waar het misloopt, is de vrees dat iemand die een hoofddoek draagt, niet neutraal handelt. Het dragen van een hoofddoek staat in geen geval gelijk aan anderen bekeren tot je geloof. Daarnaast is een hoofddoek een zichtbare uiting van geloof, maar kan je evengoed moslima zijn en geen hoofddoek dragen.

Van iemand in een openbare functie wordt er terecht verwacht dat die neutraal handelt. Maar jezelf neutraal presenteren? In onze openbare instellingen wordt neutraliteit graag gelijkgesteld aan een westers uiterlijk. Het verbod ruikt dan ook naar discriminatie in plaats van het zogezegde bevrijden van ‘onderdrukte’ moslima’s.

Het verbod marginaliseert vrouwen met een hoofddoek door ze uit te sluiten van bepaalde openbare functies. Laat vooral vrouwen zelf beslissen of ze een hoofddoek willen dragen en laat hun keuze niet afhangen van hoeveel kansen ze daarna krijgen in onze maatschappij. Een verbod is zelden de oplossing. Als ik moest kiezen tussen mijn werkloosheidsuitkering die te laat betaald wordt door een personeelstekort, of een bediende met een hoofddoek die mijn dossier tijdig en correct behandelt, zou ik het wel weten.

Opinie | Overbevolking in onze gevangenissen is een humanitaire en maatschappelijke crisis

De overbevolking in de gevangenis van Gent toont hoe vastgelopen het Belgische gevangenissysteem is. Straffen moeten gevolgen hebben, maar gevangenen verdienen ook een menswaardige behandeling. België moet daarom niet alleen investeren in gevangeniscapaciteit, maar ook in preventie en re-integratie, schrijft Jeroen Verachtert in zijn opinie.

De situatie in de gevangenis van Gent toont aan dat het Belgische gevangenissysteem volledig is vastgelopen. Bijna 500 mensen verblijven er in een gevangenis die volgens de rechtbank slechts 262 plaatsen telt. Mensen moeten op de grond slapen en hebben onvoldoende toegang tot hygiëne, zorg en persoonlijke ruimte. Dat is geen normale uitvoering van een gevangenisstraf meer, maar een onmenselijke behandeling.

Natuurlijk hebben deze mensen misdrijven gepleegd en moeten zij hun straf uitzitten. Maar gevangenen mensonwaardig behandelen, maakt onze samenleving niet veiliger. Als mensen slechter uit de gevangenis komen dan ze erin gingen, zonder begeleiding of uitzicht op re-integratie, vergroten we juist de kans dat zij opnieuw misdrijven plegen. Daarom moeten we verschillende problemen tegelijk aanpakken.

“Als mensen slechter uit de gevangenis komen dan ze erin gingen, zonder begeleiding of uitzicht op re-integratie, vergroten we juist de kans dat zij opnieuw misdrijven plegen”

Jeroen Verachtert

België moet voldoende moderne gevangeniscapaciteit creëren, zodat veroordeelden hun straf daadwerkelijk kunnen uitzitten. Dat is ook nodig om het gevoel van straffeloosheid onder de bevolking tegen te gaan. Tegelijk moeten we investeren in psychologische begeleiding, verslavingszorg, onderwijs, beroepsopleidingen en hulp bij de terugkeer naar de samenleving. Daarnaast is preventie essentieel. Door eerder in te grijpen bij armoede, schooluitval, verslaving en psychische problemen kunnen we voorkomen dat sommige mensen uiteindelijk in de criminaliteit terechtkomen.

Gevangenen als verdienmodel

De privatisering van gevangenissen is geen goede oplossing. Zodra bedrijven winst maken op het opsluiten van mensen, ontstaat er een verkeerd financieel belang: hoe meer gevangenen er zijn en hoe langer zij opgesloten blijven, hoe hoger de mogelijke inkomsten. Daardoor bestaat het risico dat zulke bedrijven lobbyen voor strengere en langere straffen, niet omdat dit de samenleving veiliger maakt, maar omdat het hun winst verhoogt.

Ook re-integratie kan dan op de achtergrond raken. Minder recidive kan leiden tot minder gevangenen en dus mogelijk minder inkomsten voor private gevangenisbedrijven. Een systeem waarin gevangenen klanten of inkomstenbronnen worden, dreigt het menselijke aspect volledig uit het oog te verliezen. De overheid moet daarom zelf verantwoordelijk blijven voor gevangenissen en ervoor zorgen dat veiligheid, menswaardigheid en re-integratie centraal staan.

Investeren in preventie, hulpverlening, gevangeniscapaciteit en re-integratie zal op korte termijn geld kosten, maar op lange termijn kan dit goedkoper zijn dan de gevolgen van besparingen op preventie. Wanneer problemen niet tijdig worden aangepakt, lopen de kosten voor politie, justitie, gevangenissen en gezondheidszorg verder op. Daarbovenop komt de menselijke schade voor slachtoffers, daders en hun families.

“Een humane behandeling betekent niet dat misdrijven zonder gevolgen blijven”

Jeroen Verachtert

Een humane behandeling betekent niet dat misdrijven zonder gevolgen blijven. Het betekent dat we straffen op een manier die rechtvaardig is én de kans op nieuwe slachtoffers verkleint. Meer capaciteit, effectieve straffen, preventie, toegankelijke zorg en re-integratie zijn geen tegenstellingen. Ze zijn allemaal noodzakelijk voor een geloofwaardig en veilig justitiebeleid.

Drie jaar na de aardbeving in Marokko: “Sommigen krijgen steun, anderen niet”

Exact drie jaar geleden werd Marokko opgeschud door een aardbeving. Bijna drieduizend mensen lieten het leven en bijna vierhonderdduizend mensen hadden tijdelijk of permanent geen onderdak volgens het Rode Kruis. Tot vandaag leven sommigen in tenten. De schade is nog steeds zichtbaar en op sommige plaatsen gaat de wederopbouw traag. Correspondent Dries Basraoui was ter plaatse om te kijken hoe het er nu aan toe gaat.

Ik ben in Amizmiz, een stad in de provincie Al Haouz in Marokko, op zo’n 55 kilometer ten zuiden van Marrakesh. De stad werd drie jaar geleden zwaar beschadigd door een aardbeving van een magnitude van 6,8. Buiten de stad werden dorpen in de hoger gelegen gebieden met de grond gelijkgemaakt. Ik rijd naar Tafeghaghte, een dorpje buiten Amizmiz in het Atlasgebergte. Door de slechte en smalle wegen ben ik gedwongen om er met de auto stapvoets naartoe te rijden. Wanneer ik het dorp nader, wordt de schade steeds zichtbaarder: grote hopen puin langs de weg, verwoeste huizen en tenten waarin mensen leven die hun huis verloren.

Terwijl ik door het dorp wandel, wordt het overduidelijk dat hier een aardbeving plaatsvond. Maar dat het exact drie jaar geleden was, kan ik me nauwelijks voorstellen. Het schrille contrast tussen wederopbouw en verwoesting is opvallend: aan de ene kant enorme puinhopen en compleet verwoeste huizen, aan de andere kant gerenoveerde huizen met een nieuwe grijze bakstenen voorgevel.

Nog steeds in tenten

Marokkaanse vlaggetjes wapperen boven de tent van Aicha en Ider, een ouder koppel dat sinds de aardbeving noodgedwongen in een tent leeft. Bij slecht weer regent het binnen en wordt de droge aarde modder. Wanneer ik vertel dat ik journalist ben die verslag uitbrengt over het leven drie jaar na de aardbeving, barst Aicha in tranen uit. Alsof alle emoties van de voorbije jaren plots loskomen.

Volgens Ider stierven er zeker 78 mensen in het dorp. Ider verloor ook zijn 65-jarige broer. De hulp werd niet altijd eerlijk verdeeld, vertelt het koppel. Tot vandaag ontvingen ze geen financiële steun. “De gewone hulp werd verdeeld over iedereen, maar wanneer we ons moesten gaan inschrijven om financiële steun te krijgen bij de wijkagent, ontstonden er gevechten over wie er eerst mocht gaan. Ook nu zijn er nog spanningen. Sommigen krijgen steun, anderen niet. Wat zou jij doen als de meeste van je buren ondertussen in een huis leven en jij niet?”

“Wat ik het hardst mis van het leven voor de aardbeving zijn onze dieren. De schapen, geiten en koeien”, vertelt Ider. Als ik hen vraag hoe ze kijken naar de toekomst, zeggen ze: “We kunnen alleen op Allah rekenen. Alleen hij weet wat de toekomst zal brengen.”

Hun verhaal staat in schril contrast met de officiële cijfers van de Marokkaanse overheid. In een persbericht dat de Marokkaanse overheid een jaar geleden verspreidde, staat dat de wederopbouw van de woningen voor 91,33 procent voltooid is en dat de tenten die direct na de natuurramp waren opgezet om de slachtoffers onderdak te bieden, volledig zijn afgebroken.

Ik vertrek terug richting het centrum van Amizmiz. Hoe verder ik ben van de drukke binnenstad, hoe meer schade ik zie. In de buurt achter het stadscentrum ontmoet ik Krimane, een oudere winkeluitbater. Volgens hem stierven 36 mensen uit de buurt. “Het grootste probleem na drie jaar is dat nog niet alle mensen financiële hulp kregen. Ook ik kreeg geen financiële hulp, al is er veel schade aan mijn huis.” Financiële steun van de overheid is broodnodig, vindt hij. “Mensen beschikken niet over de middelen om hun huis zelf te heropbouwen.”

“Mensen beschikken niet over de middelen om hun huis zelf te heropbouwen”

Krimane (winkeluitbater)

Eenmaal terug in het centrum, spreek ik met Walid*, een inwoner die anoniem getuigt. Ook hij vertelt dat de overheid haar best niet heeft gedaan voor de wederopbouw en dat sommige mensen wel hulp kregen en anderen niet. “En wie hulp kreeg, werd niet genoeg geholpen.” Walid ontving van de overheid 2.000 euro voor barsten in de muren van zijn huis. Een schatter vertelde dat hij recht had op 8.000 euro.

Volgens Walid zijn er verschillende projecten aan de gang of gepland, zoals een nieuwe school of plannen voor straatverlichting. “In oktober zou de hele infrastructuur worden aangelegd: riolering, elektriciteit, internet, jongerencentra en huizen.” Officiële bronnen die dat bevestigen, zijn er niet. “Hoewel er plannen zijn, is er drie jaar lang amper iets gebeurd”, beweert Walid.

Op woensdag 23 september 2026 kiest Marokko een nieuw parlement. “Nu de verkiezingen dichterbij komen, bereiden de inwoners van Amizmiz en de provincie Al Haouz – vooral in de door de aardbeving getroffen gebieden – zich voor om te gaan stemmen. Ook zijn er inwoners die overwegen de verkiezingen te boycotten, uit ontevredenheid over de aanpak van de wederopbouw en steun aan de slachtoffers”, vertelt Walid.

Volgens Walid vond er nog maar een week of twee geleden een lichte aardbeving plaats in Amizmiz. “De lokale bevolking is er ondertussen aan gewend geraakt. Tegenwoordig beeft heel Marokko, bang zijn we dus niet meer”, lacht hij.

Gebrekkig gezondheidssysteem in dorpen

Wanneer ik terug in België ben, spreek ik met Petrus Herpoele, hoofd van de delegatie van het Duitse Rode Kruis in Marokko. Herpoele was al in Marokko voordat de aardbeving plaatsvond. Met het Duitse Rode Kruis heeft hij op verschillende plekken in de regio Al Haouz projecten op poten gezet. “Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen wat ontwikkelingsorganisaties, humanitaire hulpverleners en de overheid doen. Er hebben inderdaad veel hulporganisaties tenten voorzien en zo de mensen onderdak gegeven. Vervolgens zoeken we naar een duurzame oplossing. Zo heeft de Marokkaanse overheid een fonds opgericht voor de wederopbouw van huizen. Daar konden mensen de schade aan hun woning laten registreren. Dan komt iemand van de overheid de schade vaststellen en zeggen of iemand al dan niet in aanmerking komt en voor hoeveel.”

“Zaken als een medische hulppost, een dokter of een hulppost met een referentiesysteem naar een meer gespecialiseerd ziekenhuis ontbreken”

Petrus Herpoele (hoofd van de delegatie van het Duitse Rode Kruis in Marokko)

Een van de grootste uitdagingen waar de lokale bevolking op dit moment tegenaan loopt, is het gebrek aan een gezondheidssysteem in de dorpen, zegt Herpoele. “Zaken als een medische hulppost, een dokter of een hulppost met een referentiesysteem naar een meer gespecialiseerd ziekenhuis ontbreken.” De oorzaak daarvan ligt volgens hem bij de onbereikbaarheid van de dorpen. “Het is veel makkelijker om een gezondheidssysteem op poten te zetten in een meer stedelijke omgeving waar iedereen per definitie dicht op elkaar zit.”

Nu, drie jaar na de aardbeving, rondt het Duitse Rode Kruis zijn aardbevingsrespons af. “We blijven de Marokkaanse Rode Halve Maan wel steunen met nieuwe projecten”, zegt Herpoele. “We hebben veel geleerd van de aardbeving. De Marokkaanse Rode Halve Maan is nu beter gewapend om te reageren op rampen in de toekomst.”

Analyse | Meer dan een artiest: hoe Olivia Rodrigo (23) haar platform inzette om samen op te komen voor vrouwenrechten

Artiesten hebben een podium, maar sommigen gebruiken dat voor meer dan muziek alleen. Olivia Rodrigo (23) zet haar bekendheid, muziek en netwerk in om aandacht te vragen voor maatschappelijke kwesties en andere vrouwen een podium te geven. Deze zomer bracht ze met Daisy Chain Fields vrouwelijke artiesten en duizenden bezoekers samen voor een festival dat twintig miljoen dollar opleverde voor vrouwen en meisjes. Hoe gebruikt Rodrigo haar platform om op te komen voor vrouwenrechten?

Artiesten bereiken met hun muziek miljoenen mensen. Voor sommige fans is het belangrijk dat muziek blijft hangen, terwijl voor anderen juist de kracht van de songteksten of de stem centraal staat. Wat minstens zo belangrijk is: de invloed die een artiest heeft op haar publiek. Juist daardoor kunnen ze een verschil maken, gesprekken op gang zetten en een voorbeeld zijn voor hun publiek. Daardoor kan een artiest meer zijn dan iemand die muziek maakt: iemand die zijn, haar of hun stem gebruikt voor iets dat groter is dan zichzelf.

Van woorden naar daden

Olivia Rodrigo begrijpt dat maar al te goed. Door zich meermaals uit te spreken over maatschappelijke kwesties, zoals het optreden van ICE, de beperkte toegang tot gezondheidszorg in de Verenigde Staten en de genocide in Gaza, liet Rodrigo zien dat ze haar invloed als artiest niet onbenut laat. Deze zomer bewees ze ook nog eens dat ze bereid is om meer te doen dan zich enkel uit te spreken. Ze zette haar opgebouwde netwerk binnen de muziekindustrie en haar grote publiek in voor een initiatief waarmee ze niet alleen daadwerkelijk actie ondernam, maar ook geschiedenis schreef. Want naast het creëren van haar derde album, You Seem Pretty Sad for a Girl So in Love, hield Rodrigo zich ook bezig met het organiseren van Daisy Chain Fields – een festival in Irvine, Californië op 29 augustus – met uitsluitend vrouwelijke artiesten die allemaal persoonlijk door Rodrigo werden opgebeld en kosteloos kwamen optreden.

Zo’n 45.000 bezoekers konden genieten van optredens van onder meer Doechii, Chappell Roan, Stevie Nicks, Alanis Morissette en Olivia Rodrigo zelf. Ze gebruikte dus niet alleen haar eigen bekendheid, maar bracht ook andere artiesten en tienduizenden bezoekers samen. Daardoor werd haar invloed groter dan wat ze als individuele artiest had kunnen bereiken. Het festival bracht dan ook maar liefst tien miljoen dollar op en later maakte filantroop Melinda French Gates nog bekend het ingezamelde bedrag te verdubbelen. Rodrigo zette daarmee de eerste stap in een initiatief dat uiteindelijk twintig miljoen dollar voor vrouwen en meisjes opleverde. De volledige opbrengst wordt gedoneerd aan tien organisaties die zich inzetten voor de rechten en het welzijn van vrouwen en meisjes, waaronder de Black Mamas Matter Alliance en het National Women’s Law Center. Het gaat om organisaties die zich onder meer inzetten voor het terugdringen van moedersterfte, gendergelijkheid, het bestrijden van huiselijk en gendergerelateerd geweld en het verbeteren van ondersteuning rond bevallingen. Daisy Chain Fieldswerd een opvallend succes waarvan al een tweede editie werd aangekondigd.

Van inspiratie naar werkelijkheid

Maar voordat Olivia Rodrigo zelf anderen kon inspireren om bij te dragen aan de samenleving, werd ook zij eerst door iemand anders geïnspireerd. Het festival Lilith Fairvan Sarah McLachlan vormde namelijk een belangrijke inspiratiebron. Het festival, dat in de jaren 90 uitsluitend vrouwelijke artiesten een podium bood, was een baanbrekend initiatief in een muziekindustrie waarin vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd zijn. Decennia later vertaalde Rodrigo datzelfde idee naar haar eigen generatie: ze bracht vrouwelijke artiesten samen en wilde hun gezamenlijke stem gebruiken om aandacht te vragen voor grotere maatschappelijke doelen. Zelfs de naam Daisy Chain Fields draagt die boodschap: een bloemenkrans (daisy chain) staat als symbool voor individuen die samen iets groters en sterkers vormen. Elke bloem of schakel staat op zichzelf, maar samen ontstaat er een geheel. Zo zie je maar dat Rodrigo haar gevoel voor poëzie niet alleen in haar liedjes kwijt kan.

Olivia Rodrigo bracht vrouwelijke artiesten samen en wilde hun gezamenlijke stem gebruiken om aandacht te vragen voor grotere maatschappelijke doelen. Zelfs de naam Daisy Chain Fieldsdraagt die boodschap

Aan die poëtische symboliek koppelde ze ook een beeld: meisjes die onder een boom samen bloemenkransen of vriendschapsarmbandjes maken en elkaar steunen. Het mooie is dat ze haar idee ook tot werkelijkheid bracht. Aan de ingang van het festival werd een kunstinstallatie gezet van een Wish Tree, waar mensen hun wensen kwijt konden. Het ontgaat niemand dat Rodrigo aan zo goed als alles heeft gedacht bij het opzetten van dit project. Naast het plaatsen van de wensenboom, bracht ze vooraf ook het lijflied van het festival uit, ‘Serena Joy’. Het nummer, geïnspireerd door het gelijknamige personage uit Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale, gaat over wegkijken van maatschappelijke problemen en de gevolgen daarvan. Rodrigo stelt daarmee niet alleen de vraag wat er gebeurt wanneer mensen hun ogen sluiten voor onrecht, maar benadrukt ook hoe belangrijk het is om je stem te gebruiken voordat het te laat is. Bovendien zette ze alle namen van de vrouwelijke artiesten in dezelfde lettergrootte op het affiche, om elke artiest dezelfde waardering te geven. Op het festival viel vervolgens alles op zijn plaats: de acts van de artiesten overlapten niet, waardoor bezoekers geen enkele act hoefden te missen, ‘Serena Joy’werd live gespeeld en mensen hingen al hun dromen en wensen op aan de boom.

Rodrigo vertelde later op sociale media dat ze de wensen samen met haar vrienden las. Daarbij viel haar op dat achter iedere wens een hoop of droom schuilging. Ondanks de negatieve ontwikkelingen in de maatschappij en de politiek, bleek er tussen al die briefjes vooral veel hoop te zitten. Rodrigo liet daarmee zien dat iedereen, hoe groot of klein de bijdrage ook is, een verschil kan maken. “We are so much more alike than we’re different. And how deep down, we all just want to help each other and make the world a better place”, schreef ze onder een post op Instagram. En daarmee wordt duidelijk dat Rodrigo meer is dan een zangeres.

Anas* (20) : “In films zijn stiefouders vaak slechte mensen. Daardoor had ik eerst ook vooroordelen over mijn stiefvader”

Anas* is twintig en heeft gescheiden ouders. Vandaag heeft zijn moeder een nieuwe partner. “Mensen denken dat iemand automatisch ongelukkig is als er een stiefouder in het gezin komt. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn.”

Omwille van privacyredenen is Anas een schuilnaam. Zijn echte naam is bekend bij de redactie.

“Ik was 18 jaar toen mijn ouders besloten uit elkaar te gaan. Toch kwam het nieuws niet helemaal onverwacht. Er waren al kleine signalen. Mijn ouders waren bijvoorbeeld minder affectief naar elkaar. Er waren geen grote ruzies, maar je voelde wel dat er iets veranderde.”

“Toen mijn moeder vertelde dat ze gingen scheiden, was ik eerst verdrietig. Ze waren al 24 jaar getrouwd. Dus in het begin was het even moeilijk. Toch kon ik het redelijk snel plaatsen. Ik voelde al langer dat het niet goed ging tussen mijn ouders.”

“Na de scheiding bleef ik bij mijn moeder wonen in het huis waar ik al woonde. Mijn vader verhuisde. Daardoor veranderde er in het dagelijkse leven niet extreem veel, maar het grootste verschil was natuurlijk dat mijn vader er niet meer was.”

“Ik zag mijn vader iedere dag en nu plots niet meer. Ik moest bewust moeite doen om hem te bellen of langs te gaan”

Anas (20)

“Sommige kleine dingen vielen plots op. Mijn vader kookte bijvoorbeeld altijd. Na de scheiding moest ik dat zelf vaker doen. Ook moest ik soms moeite doen om mijn vader te blijven zien, aangezien mijn ouders niet meer samenwoonden.”

“De relatie met mijn moeder bleef grotendeels hetzelfde, omdat ik haar elke dag zag. Met mijn vader was dat anders. Ik zag hem iedere dag en nu plots niet meer. Ik moest bewust moeite doen om mijn vader te bellen of langs te gaan. Gelukkig verbeterde die situatie na een tijdje.”

“Vooral mijn familie was belangrijk. Mama moedigde mij aan om contact te blijven houden met papa. Ook mijn broer en zus hielpen. We maakten allemaal hetzelfde mee. Daardoor konden we er samen over praten. Niet iedereen heeft broers of zussen. In dat geval kan het helpen om met vrienden, familie of iemand op school te praten. Het is vooral belangrijk om te onthouden dat je er niet alleen voor staat. Veel mensen maken dit mee. Dus je hoeft je er niet voor te schamen.”

“Hoe beter je iemand leert kennen, hoe meer vooroordelen verdwijnen. Vandaag heb ik een goede band met mijn stiefvader”

Anas (20)

“Na een tijd kreeg mijn moeder een nieuwe partner. In het begin vond ik dat moeilijk. Ik had mijn moeder altijd samen met mijn vader gekend. Dus het voelde vreemd. Eerst voelde ik weerstand, maar na verloop van tijd veranderde dat. Door mijn stiefvader beter te leren kennen, merkte ik dat veel van mijn ideeën over hem eigenlijk vooroordelen waren.”

“De boze stiefmoeder in sprookjes of de lastige stiefvader in films: in de populaire cultuur zijn stiefouders vaak slechte mensen. Daardoor had ik in het begin ook vooroordelen. Maar in het echte leven bleek mijn ervaring heel anders. Hoe beter je iemand leert kennen, hoe meer die vooroordelen verdwijnen. Vandaag heb ik een goede band met mijn stiefvader.”

“Niet iedereen ervaart een scheiding op dezelfde manier. Sommige jongeren hebben het er moeilijk mee, anderen passen zich sneller aan. Soms wordt er te snel geoordeeld over kinderen met gescheiden ouders. Mensen denken bijvoorbeeld dat iemand automatisch ongelukkig is als er een stiefouder in het gezin komt. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Iedereen heeft een andere ervaring en elke situatie is anders.”

“Er is één gedachte die mij hielp om alles in perspectief te plaatsen: ‘La vie est faite de hauts et de bas. Les moments difficiles ne durent pas éternellement : ils laissent toujours place à des jours meilleurs.’”

“Het leven kent hoogtepunten en dieptepunten. Moeilijke momenten duren niet eeuwig. Uiteindelijk maken ze plaats voor betere tijden.”

Roxette* (20) groeide op als Nederlandstalig meisje in Brussel: “Bij het minste taalfoutje werd ik uitgelachen”

Te Vlaams voor de Franstaligen, te Frans voor de Vlamingen net buiten de rand van Brussel. Dat is het gevoel waarmee Roxette* moest opgroeien als kind en tiener. “Ik begreep zo goed als alles in het Frans, maar ik was heel bang om het te spreken.”

Omwille van privacyredenen is Roxette een schuilnaam.

“Ik woon al mijn hele leven in Brussel. Ik ben er geboren en getogen. Mijn volledige familie is Vlaamstalig en de meerderheid is afkomstig uit Oost-Vlaanderen. Uiteraard ging ik ook naar het Nederlandstalig onderwijs, maar gek genoeg  was ik als Nederlandstalige altijd de minderheid in mijn klas. Ik was het enige Nederlandstalige meisje. Er was nog een Nederlandstalige jongen. De rest van mijn klas was Franstalig van thuis uit. In de lagere school was dit soms moeilijk. Ik voelde me vaak alleen en uitgesloten.”

“De Franstalige kinderen keken bijvoorbeeld allemaal naar andere tv-programma’s dan ik en spraken op de speelplaats Frans. Dat zorgde ervoor dat ik niet kon meepraten met hen en me niet in de groep begrepen voelde. Als ik mee wilde doen met hen en Frans wilde spreken, voelde ik me heel bekritiseerd. Bij het minste foutje werd ik uitgelachen en toch weer uitgesloten. Dit terwijl zij ook niet altijd perfect Nederlands spraken.”

“Op die leeftijd begreep ik al zo goed als alles in het Frans, maar ik was heel bang om het te spreken, bang om uitgelachen te worden en bang om fouten te maken. Tot vandaag durf ik geen Frans te spreken met die groep mensen. Het is een beetje een trauma.”

“Ik had wel altijd veel geluk met mijn juffen in de lagere school. Zij waren allemaal Nederlandstalig. Zij begrepen mij en zagen wat er gaande was. Ik kwam heel goed overeen met hen. Het was zelfs zo erg dat ik tijdens de les Frans niet meer durfde antwoorden omdat ik zo bang was. Ik had dat dan eens met mijn juf besproken en ze begreep het volledig. Ze hield er echt rekening mee en heeft me niet meer aangeduid in die specifieke lessen.”

“Het was altijd moeilijk om nieuwe vrienden te maken, omdat ik bang was om niet geaccepteerd te worden, simpelweg omdat ik Nederlands sprak”

Roxette (20)

“In de eerste jaren van de lagere school bleef het nog beperkt tot de speelplaats. Iedereen werd naar elkaars verjaardagsfeestje uitgenodigd. Maar hoe ouder we werden, hoe minder ik bij die groepjes hoorde. Ik ben ook gepest geweest in het lager. Uiteraard gebeurde dat altijd in het Frans.”

“Hetzelfde met hobby’s. Als Vlaamse Brusselaar waren al mijn hobby’s in Brussel voornamelijk in het Frans. Bijvoorbeeld: hockey, tennis, dans, alles was in het Frans te doen. Het was altijd moeilijk om nieuwe vrienden te maken, omdat ik bang was om niet geaccepteerd te worden, simpelweg omdat ik Nederlands sprak.”

“Zo kwam ik terecht bij een nieuwe hockeyclub waar ik echt mega graag wilde zitten. De eerste weken gingen supergoed. Ik had vrienden gemaakt en ik sprak feilloos Frans. Niemand merkte dat ik Nederlandstalig was, omdat ik doorheen de jaren een heel Frans accent had gekweekt.”

“Alles ging goed, tot iemand ontdekte dat ik op een Nederlandstalige school zat en Nederlandstalig was. Vanaf dat moment keerde alles. Opeens had ik geen vriendinnen meer, geen uitnodigingen meer, niks meer. Op dat moment voelde ik me zo alleen en verloren. Ik was boos. Ik was boos dat mijn ouders mij niet helemaal tweetalig hadden opgevoed. Ik was boos dat ik niet Franstalig was. Ik was boos.”

“Ook opvallend: je had een bepaalde kledingstijl nodig om bij de Franstaligen geaccepteerd te worden. Het was vooral merkkledij die je moest dragen. Denk aan Bellerose, Zadig & Voltaire, … Daar deed ik ook aan mee. Ik had het geluk dat mijn ouders me wilden helpen en dit voor me wilden doen. Dat zorgde al voor een beetje meer inclusie.”

“Ik ben dan naar een school gegaan net buiten Brussel. Daar werd ik dan plots weer gezien als de Franstalige Brusselaar. De omgekeerde wereld!”

Roxette (20)

“Het extra frappante ding was dan weer toen ik naar het middelbaar ging. Je moest de scholen opgeven waar je naartoe wilde en dan werd jou een school toegewezen op basis van loting. Normaal gezien hebben de kinderen waarvan beide ouders Nederlandstalig zijn voorrang op hun eerste keuze, maar dit bleek in de praktijk absoluut niet het geval. Ik had zes scholen opgegeven en toch kreeg ik geen school toegewezen.”

“Ik stond overal op de wachtlijst. Het rare was: al mijn Franstalige klasgenoten met Franstalige ouders hadden allemaal hun eerste keuze gekregen. Dat maakte mij en mijn ouders razend. Ik ben dan naar een school gegaan net buiten Brussel. Daar werd ik dan plots weer gezien als de Franstalige Brusselaar. De omgekeerde wereld!”

“Ik werd telkens aangeduid tijdens de Franse lessen om het antwoord te geven en mensen zagen mij niet als één van hen. Weer niet. Desalniettemin was deze school de beste keuze van mijn leven. Ik ben wel mijn Frans accent kwijt waardoor de problemen in Brussel er nu opnieuw zijn, maar ik er heb supergoede vriendinnen aan over gehouden en ik ben echt gelukkig nu.”

Een jaar wachten, een leven op straat: de menselijke prijs van het asielbeleid

Terwijl de regering het asielbeleid verstrengt, belanden mensen op straat, wachten ze maanden op een eerste gesprek of raken ze verstrikt in administratieve procedures. Loes Schutyser en Igor Baisier volgden een half jaar lang drie mensen die vastlopen in het huidige asielbeleid en onderzochten hoe (on)menswaardig het beleid in de praktijk is.

Eind december. Het vriest. We wandelen een route van talloze kilometers die nieuwkomers afleggen in Brussel. We starten aan de dranghekken in Belliardstraat 68. Daar ligt het registratiecentrum, waar nieuwkomers hun eerste aanmelding doen. Auto’s razen voorbij en sirenes loeien onophoudelijk. Een vrijwilliger met een hesje van Vluchtelingenwerk Vlaanderen verwijst ons door naar hun juridische helpdesk, zo’n drie kilometer verderop. Terwijl we daar onze verkleumde handen verwarmen, komt een jonge vrouw binnen. Ze rolt een buggy voort met een ingeduffeld kindje erin. Ze sleurt haar hele hebben en houden mee. Haar ogen vallen bijna toe, ze lijkt doodmoe. Haar naam is Jennifer. Ze is 23. Ze vertelt dat ze al weken rondzwerft samen met haar dochter, Larissa. Ze is wanhopig op zoek naar hulp, onderdak en eten. Een advocate van de helpdesk vraagt ons om voor hen spaghetti te halen om de hoek. Jennifer is zwanger, ze heeft de afgelopen twee dagen amper gegeten.

Jennifer werd geboren in Sierra Leone. “Een goede vriend dwong me tot seks, omdat hij mijn schoolrekeningen betaalde.” Ze werd zwanger en beviel van een zoon, waarna hij haar verliet. “Ik had geen andere keuze dan sekswerk om rond te komen.” In 2024 vluchtte ze zonder haar zoon. Ze stak met een rubberboot de Middellandse Zee over en kwam Europa binnen via Turkije, waar ze werd opgepikt door de kustwacht.

In Turkije werkte ze een paar weken zonder papieren in een vervuilende fabriek. Ze vluchtte nogmaals per boot naar Griekenland. “Daar kwam ik terecht in een opvangkamp, waar ik beviel van Larissa, een tweede kind dat verwekt werd door een man die me misbruikte.”

Kort daarna werd een asielprocedure gestart. In Griekenland had ze weinig tot geen sociale ondersteuning en rechten. Jennifer leefde er in een opvangkamp en mocht Larissa niet bezoeken toen die met longproblemen voor drie maanden werd opgenomen in het ziekenhuis.

“Als Griekenland goed voor me was, zou ik hier niet zijn”, vertelt ze. Afgelopen winter besloot ze verder te vluchten, weg uit de precaire omstandigheden daar. Hetzelfde patroon van misbruik dreigde zich bovendien te herhalen. Met onveilige seks betaalde ze een vliegticket naar Brussel. Opnieuw zwanger kwam ze aan in ons land. Ze sliep de eerste twee nachten met Larissa in het Zuidstation, waar haar weinige bezittingen werden gestolen. “Hulpverleners pikten ons op van straat.

Dankzij Humanitarian Hub kreeg ik op verschillende plaatsen toch onderdak. Zo verbleef ik even in een krot in Leuven.” Omdat ze er niet veilig was, moest ze opnieuw onderdak zoeken. Het bleef een constante zoektocht.

“Toen ik klein was, wilde ik verpleegster worden, nu kan dat niet meer”

Jennifer (23)

In januari bleek dat Jennifer al sinds haar aankomst zwanger is. In februari onderging ze een abortus, omdat het in deze situatie onmogelijk is om voor een tweede kind te zorgen. “Sindsdien voelt het alsof mijn leven voorbij is”, zegt ze. “Toen ik klein was, wilde ik verpleegster worden, nu kan dat niet meer. Mijn droom is verdwenen.”

“Onmenselijk”

Dit soort verhalen zijn steeds meer een regel dan een uitzondering. Dat vertellen Paola en Aasta, twee hulpverleners van Vluchtelingenwerk Vlaanderen die dagelijks met een team de straat op gaan. Sinds augustus 2025 zijn er nieuwe crisismaatregelen voor asielzoekers. Daarin wordt gesteld dat mensen die reeds in een andere Europese lidstaat asiel kregen, geen recht meer hebben op opvang.

In principe heeft Jennifer wél recht op opvang, vertelt Paola. “Dat basisrecht is voorzien in nationale én internationale regels. Volgens die regels mag de overheid geen opvang weigeren aan mensen die in een procedure zitten of kwetsbaar zijn.” Paola stelt zich luidop de vraag: “Wie is meer kwetsbaar dan een alleenstaande zwangere vrouw, met bovendien een klein kindje?”

Jennifers advocate startte daarom een beroepsprocedure bij de Arbeidsrechtbank, die bevoegd is voor opvangkwesties. Ze kreeg gelijk. Jennifer en Larissa mochten intrekken in een tijdelijk opvangcentrum voor Oekraïners in Anderlecht. Na drie weken moesten ze terug verhuizen, deze keer naar het Rode Kruis transitcentrum in Sint-Lambrechts-Woluwe. Ondanks het dak boven hun hoofd blijft hun situatie uitzichtloos. We ontmoeten ze in hun kleine kamer. Jennifer zit mentaal aan de grond. Ze slapen in één bed en hebben geen eigen badkamer. Ze weet niet hoe haar procedure verloopt, heeft geen sociaal assistente en in het centrum is er bijna geen daginvulling: “Ik zit de hele dag op mijn kamer. Ik ga alleen naar beneden om te eten. Ik houd Larissa zo lang mogelijk wakker, zodat ze ’s nachts doorslaapt. Ik ben doodop.”

Blijven of teruggaan?

Mahad (34) vluchtte uit Somalië op zijn zestiende. In september 2025 kwam hij naar ons land. Al tien maanden slaapt hij op straat, vlak voor de Humanitarian Hub, wachtend op zijn eerste interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Het interview werd al vier keer uitgesteld, met een simpele stylostreep. “Ik wil gewoon een antwoord. Blijven of teruggaan?”

De Humanitarian Hub is een dagcentrum dat draaiende gehouden wordt door verschillende ngo’s. Er is ruimte om even te bekomen, op te warmen met koffie, thee of een maaltijd. Er zijn stopcontacten, douches en een pleintje waar gevoetbald kan worden. Kortom, een toevluchtsoord voor zij die elke nacht op straat slapen, verdoken tussen al hun bezittingen, in de kou, in de regen en zelfs in de sneeuw.

Twee Afghaanse zussen, die naast Mahad slapen, vertellen dat hun matras al weken niet meer droogt. “Veel mensen leven er in spanning, maar ik probeer optimistisch te blijven.” Hij helpt anderen door te vertalen, doet klusjes in het centrum en is ondertussen deel van het vaste team in de Hub geworden.

In oktober vorig jaar was de Hub nog zeven dagen op zeven open, maar door een krimpend budget waren ze genoodzaakt om op woensdagen en uiteindelijk zelfs het hele weekend te sluiten. Eind april dit jaar ontruimde de politie alle tenten. “Nu slapen we in nabijgelegen parken. Mijn tent en slaapzak werden na één dag al gestolen. Sindsdien slaap ik onder een fleecedeken.”

Administratieve rompslomp

Hulpverleners en advocaten spreken van een kafkaiaans systeem: “Administratieve procedures, die in theorie niet zo moeilijk zijn, worden in de praktijk op zo’n manier uitgewerkt dat het een doolhof wordt waar niemand nog aan uit kan”, vertelt Thomas Willekens, beleidsmedewerker bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Zijn collega’s Paola en Aasta beginnen stilaan te denken dat het doelbewust complex is.

François gaat als vrijwilliger soms mee met het ochtendteam naar het registratiecentrum. “We zijn vanaf zeven uur aanwezig om vragen te beantwoorden en informatie te verspreiden. Mensen staan vaak al langer aan te schuiven, sommigen slapen hier zelfs, omdat ze bijvoorbeeld in Luik verblijven en er anders niet tijdig geraken met het openbaar vervoer.” Om half negen stipt sluit het kantoor weer en de rest van de rij moet de volgende dag terugkomen. Geen registratie betekent géén recht op opvang.

Ook Mahad vindt zijn weg niet in het kluwen aan procedures en regels. Hij is verder gevlucht door Europa nadat zijn vijfjarige verblijfskaart verviel in Italië. Nochtans had hij Italië niet moeten ontvluchten, vertelt zijn advocate Evelien Verstraeten: “Een vervallen kaart betekent niet automatisch dat je verblijfsvergunning vervallen is. Het vernieuwen van een verblijfskaart is mogelijk. Dat wist hij echter niet.” Mahad verbleef erna in verschillende landen, maar kreeg nergens asiel door zijn statuut in Italië. Zo belandde hij in België.

Mahad zit nog steeds met veel vragen, vooral voor DVZ: “De vorige keer vroeg ik hen: wat is er aan de hand met mijn situatie? Ze zeiden: we kunnen je niets vertellen, kom gewoon nog eens terug.” Er zit veel ruis op de communicatie tussen Mahad en de instanties, vertelt Verstraeten: “Ik wacht al meer dan een maand op Mahads dossier om meer duidelijkheid te krijgen, dat is essentieel om het interview te kunnen voorbereiden.”

In juni keerde Mahad voor de vierde keer terug naar de DVZ, voor zijn allereerste interview. “In het vorige regeerakkoord streefde men ernaar om een asielprocedure binnen de zes maanden af te ronden. Het aankomende Europees migratiepact wil die termijn nog verkorten”, aldus Verstraeten. Volgens haar schuilt in die wachttijd het grootste pijnpunt van de asielprocedure: “Als een asielzoeker van augustus 2025 tot juni 2026, dus bijna een jaar, moet wachten om nog maar door de eerste fase van de procedure te geraken, dan ga je mij niet wijsmaken dat dat ligt aan hem. Op die manier kan men framen dat asielzoekers eeuwig op straat blijven rondzwerven. Intussen slapen ze op straat, hebben ze niks en raken ze zelfs niet vooruit in hun procedure. Dat is schandalig.”

“Als een asielzoeker bijna een jaar moet wachten om maar door de eerste fase van de procedure te geraken, ga je mij niet wijsmaken dat het aan hem ligt”

Evelien Verstraeten (advocaat Mahad)

Geconstrueerde crisis?

Het is een grijze vrijdag, het miezert en het waait hard. Aan het Zuidstation in Brussel liggen rijen matrassen in de ondergrondse tramhalte. Om de hoek liggen er uitwerpselen op de grond. De moed zakt ons bijna in de schoenen. We gaan langs bij sociale organisaties in Brussel op zoek naar mensen die willen getuigen over het asielbeleid. Eerst gaan we naar Samusocial, een organisatie die instaat voor de dak-en thuislozenopvang in de hoofdstad, enkele straten verderop. Daar staat een man op straat doelloos voor zich uit te staren. Hij heet Franco en rommelt in zijn koffer op zoek naar een dikkere jas, omdat hij beseft dat het een lange dag kan worden.

Franco (56) heeft drie kinderen in Angola en lijdt aan diabetes. Hij kon medisch onvoldoende geholpen worden in zijn thuisland en kwam daarom naar België. Hij startte een procedure tot medische regularisatie. Via die procedure kunnen mensen zonder wettig verblijf in België een verblijfsvergunning aanvragen, op voorwaarde dat ze lijden aan een ernstige ziekte en er geen adequate medische zorg is in het land van herkomst.

Toen hij in maart in Brussel aankwam, zakte hij op straat ineen door te hoge glucosewaarden. Hij werd opgenomen in het ziekenhuis, maar drie dagen later stond hij alweer op straat. “Ik ga dan maar op zoek naar een tempel van Jehovah’s Getuigen, want zij helpen mij wel.”

Franco heeft recht op opvang volgens zijn statuut van medische regularisatie, maar daarvan was hij de eerste dagen na zijn aankomst niet zeker. Nadat hij werd ontslagen uit het ziekenhuis, dat was op een vrijdagmiddag, kon hij zich niet meer registreren. Dat kon pas ten vroegste op maandagochtend. Zoals eerder al vermeld: zonder registratie geen recht op opvang. Hij werd door het ziekenhuis doorverwezen naar een centrum van het Rode Kruis, maar die verwezen hem op hun beurt door naar de nachtopvang van Samusocial. Helaas bleek daar geen plaats te zijn voor het hele weekend.

Franco’s laatste redmiddel was om voor de ingang te wachten tot tien uur ‘s avonds. Vanaf dan kan je inbellen in de hoop alsnog een plek te bemachtigen van iemand die niet kwam opdagen. Opvallend is dat bijna niemand in die wachtrij dat nummer kan bellen, aangezien ze na hun aankomst vaak nog niet over een Belgische sim- of prepaidkaart beschikken. Je hebt hiervoor immers een geldig identiteitsbewijs nodig. Ook Franco had dat niet. We hielpen hem met onze telefoon en vonden een bed bij een andere nachtopvang in de buurt.

Franco had dat weekend anders op straat geslapen. Veel voorbijgangers ontwijken de zoekende blikken en stappen vluchtig door. De buurt rond Samusocial is grimmig, drugsdealers en andere louche types komen lonken aan de ingang. Terwijl we wachten, wordt iemand hardhandig buitengezet door de beveiliging van Samusocial. Hij is onder invloed van drank en drugs. Hij trapt hard op de gesloten stalen deur, de klink breekt af. Hij neemt die mee en druipt af. Vanuit de verte komt de klink plotseling aangevlogen, rakelings langs ons hoofd.

Het moet een vreemde eerste impressie zijn van ons land voor nieuwkomers zoals Franco. Hij is diepgelovig en beweert dat wij die dag als engelen door God gezonden zijn om hem te helpen. Voor anderen, die ijsberen aan de deur, zijn we dat allesbehalve. Een van hen is Jalloh (28) uit Sierra Leone, hij kwam die dag aan in België. Voor hem is er geen vrij bed meer die avond, ook niet met onze hulp. Jalloh vluchtte eerst naar Griekenland, maar voelde zich daar onveilig, net als Jennifer. Hij volgt ons tot aan het perron, waar wij de trein opstappen. Zijn eerste nacht in België brengt Jalloh door in het kille Zuidstation, zoals tientallen andere nieuwkomers die nacht.

Streng maar rechtvaardig?

Van Bossuyt wil met een strenger beleid komen tot minder asielaanvragen en minder mensen op straat. Willekens (Vluchtelingenwerk Vlaanderen) weigert dat te geloven en kijkt op twee manieren naar de problematiek: “Enerzijds is er de cijfermatige kant van het verhaal. Het verleden leert ons dat het aantal asielaanvragen in België schommelt ondanks jarenlang verstrengen. Ons beleid oefent geen invloed uit op externe schokken, zoals conflicten in Oekraïne, Eritrea of Syrië. Die conflicten zorgen voor een piek, maar als de intensiteit van de schok afneemt, zien we een daling.”

Een tweede en vaak vergeten invalshoek, is de menselijke, volgens Willekens. “Het is duidelijk dat Van Bossuyt een hardvochtig en ontradend beleid wil voeren. Het gevolg is dat zelfs gezinnen met kinderen op straat worden gezet, omdat zij al bescherming hebben gekregen in een andere Europese lidstaat, althans juridisch, want in de praktijk stelt die bescherming weinig of niets voor.” Volgens hem is de slinger doorgeslagen: “Tot op welk punt willen we gaan en vanaf wanneer verlaten we daarmee onze eigen normen en waarden?”

“Dat Van Bossuyt mensenrechten schendt, is intussen geen mening meer, maar een feit”

Ellen Desmet, professor migratierecht (UGent)

“Dat Van Bossuyt mensenrechten schendt, is intussen geen mening meer, maar een feit”, vertelt Ellen Desmet, professor migratierecht (UGent). Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, als de Raad van State en het Grondwettelijk Hof hebben de minister al teruggefloten. Het recht op opvang, gegarandeerd door het Europees recht, wordt dagelijks geschonden. Elke asielzoeker die een asielaanvraag indient, opent een recht op opvang. Het waren vooral mannen, zoals Mahad en Franco, die niet onmiddellijk opvang kregen en zich op een wachtlijst moesten registreren.Sinds de nieuwe crisismaatregelen van kracht zijn, geldt hetzelfde voor vrouwen en kinderen.

Nationale rechtbanken veroordeelden ons land hiervoor al meer dan vijftienduizend keer, ook onder de vorige regering. Toch weigert Van Bossuyt de dwangsommen hiervoor te betalen. Dat baart ook Verstraeten zorgen: “Volgens die redenering moet je buurman vanaf morgen zijn verkeersboetes niet meer betalen.” Van Bossuyt doet haar soms denken aan Trump: “Elke andere minister had al lang moeten opstappen, maar ze profiteert van de negatieve framing rond migratie.”

Hard zonder hart

De nieuwe richtlijnen van de minister botsen op verontwaardiging, dat bleek eerder uit een open brief van het Fedasil-personeel in De Standaard begin april. Haar beleid treft echte mensen, maar die hoeft ze niet in de ogen te kijken, vertelt Verstraeten. “Nog nooit heeft zij een asielzoeker voor zich gehad waaraan ze het heeft moeten uitleggen. Dan denk ik: kom maar eens een dag met mij meedraaien en zien wat het effect is van uw beleid.” Verstraeten is als juriste bezorgd over onze rechtsstaat: “Van Bossuyt heeft gezworen op de Grondwet en veegt er nu haar voeten aan.”

“Van Bossuyt heeft gezworen op de Grondwet en veegt er nu haar voeten aan”

Evelien Verstraeten (advocaat)

‘Het strengste migratiebeleid ooit’ is een ideologische keuze, daar kan men over van mening verschillen, maar de rechtsstaat is geen voer voor debat, zegt professor Desmet. “Ik vraag mij soms af, Van Bossuyt is juriste van opleiding, wringt het dan niet dat ze de uitspraken van al die rechtscolleges naast zich neerlegt, alsof het vodden papier zijn?”

Daarnaast waarschuwt ze voor een gevaarlijke tendens waarbij critici en het Europees Hof weggezet worden als links en activistisch: “Die framing zet de deur open om de rechten van andere kwetsbare groepen af te bouwen. Wie zijn de volgende: werklozen, gepensioneerden?”

“De vraagstukken van vandaag hebben we niet alleen te danken aan Van Bossuyt, maar haar houding is wel zorgwekkend”, vervolgt Desmet. “Ze zegt dat ze het arrest van het Grondwettelijk Hof – dat haar verbiedt om opvang te weigeren aan mensen die al bescherming kregen in een ander EU-land, tot het Hof van Justitie zich daarover uitspreekt – respecteert. Tegelijk roept ze een andere juridische grondslag in om haar beleid verder te zetten, die er echter niet is.”

Op 12 juni 2026 trad het Europees asiel-en migratiepact in werking, het strengste dat de Europese Unie ooit stemde. Dat pact zal het leven van asielzoekers er niet eenvoudiger op maken, vreest Verstraeten: “Het pact zal ontaarden in chaos. Ze willen de procedures performanter maken, maar dat doe je niet door budgetten te verminderen en termijnen te verkorten.”

“Maak van migratie een positief verhaal”

Volgens beleidsmedewerker bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen, Willekens, investeren we te veel in een negatief beleid dat mensen kapot maakt. “Waarom kunnen we niet op een positieve manier investeren, zodat we mensen meekrijgen en deel laten uitmaken van onze samenleving? Dat begint met het volgen van wat er in de wet staat: opvang bieden aan iedereen die daar recht op heeft.” Professor Desmet deelt die bedenking: “Puur op vlak van opvang is het een geconstrueerde crisis. Van Bossuyt wil de kiezer harde maatregelen tonen, terwijl opvang perfect op een menselijke manier kan georganiseerd worden, zoals bij natuurrampen of voor Oekraïense vluchtelingen.”

“Waarom kunnen we niet op een positieve manier investeren, zodat we mensen meekrijgen en deel laten uitmaken van onze samenleving?”

Thomas Willekens (beleidsmedewerker Vluchtelingen Vlaanderen)

Jennifer zal zo goed als zeker moeten terugkeren naar Griekenland, vertelt Paola. “Ik durf het haar nog niet te zeggen, omdat ze zo instabiel is. Door het gebrek aan ondersteuning, sociale rechten en financiële steun in het Griekse opvangsysteem is de kans groot dat er misbruik wordt gemaakt van haar kwetsbare positie.”

Jennifer en Franco bellen ons nog bijna wekelijks om ons te bedanken, maar ook om hulp te vragen. Sinds haar eerste interview bij DVZ leeft Jennifer in permanente stress voor de toekomst. Ze krijgt zware medicatie om te kunnen slapen. Tijdens een ontmoeting geven we Jennifer de Bijbel waar ze al lang om vroeg en proberen we haar moed in te spreken, maar ze barst in tranen uit: “Mijn leven is voorbij. Ik ben zo dom. Ik bid elke dag.” We slikken beiden onze woorden in, omdat we niet willen liegen. Voor Jennifer, Larissa, Mahad, Franco en alle kwetsbare asielzoekers zijn het behoorlijk barre tijden.

Wat nu?

Het is intussen september 2026. Mahad wacht nog steeds op een definitieve beslissing. Zijn tweede interview vond plaats op 12 juni, de dag waarop het Europees Migratiepact in werking trad. “Als ik een negatieve beslissing krijg, dan keer ik terug naar Somalië”, zegt hij. Mahad maakte intussen alle seizoenen mee op straat. Na de vrieskou van deze winter, was er zelfs een hittegolf.

Jennifer kreeg een negatieve beslissing, haar advocate ging in beroep. We horen haar nog regelmatig. Ze is radeloos, ze voelt zich niet begrepen en ze leeft in constante spanning. Als haar beroep verworpen wordt, moet ze terugkeren naar Griekenland. Franco werd overgebracht naar een centrum in Jodoigne en stelt het goed.

We vroegen de minister om een reactie, maar haar woordvoerster liet weten dat ‘ze niet wenst mee te werken aan het onderzoek.