Opinie | “Beste cisgender-heterogemeenschap, is verdraagzaam zijn echt zo moeilijk?”

De toenemende intolerantie tegenover de LGBTQIA+-gemeenschap en de stijgende polarisatie baren journalist Valentine Vanparys zorgen. De gemeenschap getuigt van een beschamende onverdraagzaamheid. “Onze medemens vraagt tenslotte niets meer dan het recht op identiteit en liefde”, schrijft ze.

Verdraagzaam zijn. Zelfs K3 spoorde er al toe aan. Toch staan we hier, 26 jaar later, tegenover beangstigende cijfers en een onthutsende intolerantie die maar niet lijkt te verdwijnen. Sinds wanneer is het recht op liefde zo onbevattelijk? Ik richt me even rechtstreeks tot de cisgender heterogemeenschap: wie heeft jou ooit belemmerd toen jij verliefd werd? Heb jij je ooit moeten verantwoorden voor wie je liefhad? Dat dacht ik al.

Uit De Foto van Vlaanderen2025, een jaarlijks onderzoek van VRT, blijkt dat 28 procent van de tieners het niet nodig vindt dat scholen lesgeven over verschillende vormen van seksuele voorkeur. Tegelijk wil één op de drie jongeren tussen 18 en 24 jaar liever geen transpersoon als vriend of vriendin.

Het is hartverscheurend om te zien dat mensen een vriendschap laten afhangen van iemands genderidentiteit. Alsof een transpersoon minder loyaal is, minder grappig is of een minder waardevolle vriendschap te bieden heeft. Ridicuul. We kennen allemaal wel iemand die ons ooit heeft teleurgesteld en ik durf te wedden dat dat niets te maken had met hoe diegene zich identificeerde. Toch blijven de vooroordelen en stereotypen over de queergemeenschap hardnekkig bestaan. Ze ontstaan niet zomaar: ze worden gevoed door onwetendheid, die ook dringend moet verdwijnen uit het onderwijs. Niet als politiek statement, maar als evidentie.

“Het is hartverscheurend om te zien dat mensen een vriendschap laten afhangen van iemands genderidentiteit. Alsof een transpersoon minder loyaal is, minder grappig is of een minder waardevolle vriendschap te bieden heeft”

Om de intolerantie te reduceren en het begrip te vergroten, vindt socioloog Cecil Meeusen (KU Leuven) dat we al vroeg met kinderen moeten praten over deze onderwerpen. Dat vertelt ze in een interview met VRT NWS. “Scholen moeten over relationele en seksuele vorming lesgeven. Het is bewezen dat dat helpt. Maar we zien dat leerkrachten aangeven dat ze dat minder graag doen, omdat ze vanuit de leerlingen zelf merken dat het een heel polariserend onderwerp is”, aldus Meeusen. Precies daarom is het zo urgent. Niet ondanks de polarisatie, maar vanwege de polarisatie.

Verdraagzaamheid begint op school

In het secundair onderwijs, waar je een groot deel van je jeugd doorbrengt, midden in de puberteit, is iedereen op zoek naar zichzelf. Wie ben ik? Waar hoor ik thuis? Wat wil ik? Die vragen zijn universeel. Ze spelen bij elke jongere, ongeacht genderidentiteit of seksuele voorkeur. Persoonsontwikkeling is daarom een van de belangrijkste pijlers van het secundair onderwijs. Wie dat ontkent, is zichzelf waarschijnlijk tegengekomen in zijn verdere carrière.

“Het is onze collectieve taak als samenleving om een warme omgeving te creëren waarin iedereen zich thuis voelt. Niet als gunst, maar als fundamenteel mensenrecht”

Waarom zouden LGBTQIA+-jongeren in die zoektocht dan geen ondersteuning mogen krijgen? Geen begeleiding, geen begrip, geen veilige plek om zichzelf te zijn? Bovendien zijn welbevinden en onderwijsprestaties onlosmakelijk verbonden met elkaar. Een jongere die zich niet veilig of begrepen voelt op school, zal ook minder goed presteren. Omdat het de opdracht is van scholen om een veilige leeromgeving te creëren, mag het welzijn van jongeren dan ook niet uit het oog verloren worden. Hetzelfde geldt trouwens op de werkvloer: wie zich niet goed voelt in zijn werkomgeving, zal minder gemotiveerd zijn en minder goed functioneren. Vergezocht is dat dus niet.

Bovendien is het onze collectieve taak als samenleving om een warme omgeving te creëren waarin iedereen zich thuis voelt. Niet als gunst, maar als fundamenteel mensenrecht. En eerlijk gezegd: zoveel onverdraagzaamheid kost ook veel energie. Waarom steken we die energie niet in positiviteit? Daarvoor moeten we beginnen bij begrip en misschien, zoals K3 het jaren geleden al zo treffend zong: verdraagzaam zijn.

Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.

Hoe de Marokkaanse bevolking letterlijk plaats moet maken voor het WK voetbal in 2030

Het WK 2030 is nog ver weg, maar Marokko is al volop bezig met zijn voorbereiding. Alleen gaat dat volgens verschillende bewoners ten koste van de lokale bevolking. Zij moeten letterlijk plaats maken voor nieuwe ‘prestigeprojecten’.

Van onze reporter in Casablanca, Marokko.

Wanneer je langs de Marokkaanse kustlijn rijdt in de regio van Casablanca en Rabat valt het je meteen op: langs de weg, aan de kant van de zee, zie je allemaal afgebroken huizen. Het zijn kleine strandhuisjes uit hout of beton, ook wel ‘cabanon’ genoemd. Vaak werden ze illegaal zonder vergunningen gebouwd. De Marokkaanse overheid is al sinds 2024 bezig met het slopen van deze buurten. Ze willen naar eigen zeggen “de buurten moderniseren”. De Standaard schrijft dat zeker 10.000 mensen in Rabat hun huizen hebben moeten verlaten sinds de start van de sloopwerken in 2024.

Wanneer we met de buurtbewoners spreken in de buurt van Casablanca, voelen we duidelijk frustratie en onwetendheid. Youness* is parkeerwachter en woont in de buurt van Aïn Harrouda, een stad zeventien kilometer ten noordoosten van Casablanca. “Het is al even geleden da ze het hier hebben afgebroken”, vertelt hij terwijl hij duidelijk laat merken dat hem onrecht is aangedaan. “Een aantal van deze cabanons zijn vakantiehuizen van rijkere mensen. Zij kwamen hier de zomer doorbrengen.”

“De rijken hebben vaak een tweede woning en hebben geld genoeg. Zij trekken hun plan. Maar waar kunnen wij heen?”

Youness (inwoner Casablanca)

“De mensen die hier alleen hun vakantiehuis hadden, trekken hun plan”, aldus Youness. “Ze hebben vaak een tweede woning en hebben geld genoeg. Voor ons is het heel anders. Waar kunnen wij heen? Wij hebben misschien net als hen geen vergunningen, maar we hebben geen tweede huis.”

Van compensatie is er volgens de mensen die er nog leven weinig te merken. Mensen die geen vergunning hebben, kunnen volgens hen ook niet rekenen op steun. Wie wel kan aantonen dat zijn woning geregistreerd is, krijgt volgens de bewoners een bod dat tot de helft lager kan liggen dan de waarde van hun huidige woning.

De tegenstelling is merkbaar. Hier verliezen mensen hun woningen, terwijl ze iets verderop al met de afwerking van gloednieuwe appartementen bezig zijn. Youness weet alvast dat hij een onzekere toekomst heeft. “Ik kan hier nog even blijven, maar wat ik daarna ga doen, weet ik niet.”

Als ons gesprek eigenlijk al is afgelopen en we elkaar de hand hebben geschud, vraag ik hem nog waarom hij denkt dat dit gebeurt. Ik verwacht een duidelijk antwoord. Dat komt er niet. “Instagram”, zegt hij. “Les photos.”

Ik draai me om. Achter ons staan de nieuwe appartementsgebouwen. Grote borden kondigen ‘woningen te koop’ aan.

*Youness is een schuilnaam.

Yves (20) heeft Belgische en Rwandese roots: “Ik voel me verbonden met beide culturen”

Yves groeide op in België, maar zijn moeder bracht hem ook in contact met Rwanda. “Heb je ouders uit verschillende landen? Dan ken je dit misschien: mensen verwachten dat je één identiteit kiest. Maar dat hoeft niet.”

“Als kind dacht ik minder na over mijn dubbele identiteit. Maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik mijn Rwandese cultuur ontdekte. Ik ontmoette andere jongeren die ook een biculturele achtergrond hebben. Dat gaf me het gevoel erbij te horen.”

“Iedere cultuur heeft zijn mooie kant. Mijn kleine gewoontes zijn op en top Belgisch: zondagse gebakjes, vaste familieplaatsen in Brussel. Uit Rwanda neem ik iets heel anders mee: hechtheid. Iedereen kent elkaar. Er is altijd connectie.”

“De zorg voor ouderen raakt mij. Mijn moeders familie zorgt thuis voor mijn grootouders. Iemand die jouw hele leven voor jou zorgde, verdient ook jouw zorg.”

“Dankzij vrienden met verschillende achtergronden, kreeg ik een andere kijk op het leven“

Yves (20)

“Mensen denken vaak dat ik een andere achtergrond heb. Ze schatten dat ik Latijns-Amerikaans of Noord-Afrikaans ben. Dat ik Rwandees bloed heb, zien ze niet in mij. Rwandese cultuur lijkt minder bekend te zijn in België. Ik moet vaak uitleggen hoe het in elkaar zit.”

“Maar wanneer ik in Rwanda ben, krijg ik ook andere blikken. Door mijn lichtere huidskleur maken mensen zomaar veronderstellingen. In België voel ik dat een stuk minder.”

“Dankzij vrienden met verschillende achtergronden leerde ik nieuwe dingen, zoals gastvrijheid, respect voor ouderen. Ik kreeg een andere kijk op het leven. Daarbij is mijn dubbele achtergrond een groot voordeel. Het hielp me om makkelijker geaccepteerd te worden.”

“Ga er niet van uit dat iemand met twee achtergronden een voorkeur heeft of één cultuur meer waardeert. Ik ben dankbaar voor mijn beide culturen.”

Steeds meer veiligheidsmaatregelen, maar is het Belgische voetbal ook veiliger?

Stewards, stadionverboden, identiteitscontroles, politie en camera’s: Belgische voetbalclubs beschikken over een uitgebreid arsenaal om supportersgeweld tegen te gaan. Toch bestaat er geen maatregel die het probleem alleen kan oplossen. Onderzoeker Rein Struyve ziet bovendien zwakke plekken in het huidige systeem: de positie van stewards verschillen tussen stadions en de verantwoordelijkheid van clubs verdienen meer aandacht.

Pyrotechniek op de tribunes, rondvliegende bekers en confrontaties tussen supporters halen regelmatig het nieuws. Daartegenover staan veiligheidsmaatregelen die de voorbije decennia steeds verder zijn uitgebouwd. Maar weten we eigenlijk hoe goed al die maatregelen werken? Dat is een van de vragen waar onderzoeker Rein Struyve zich mee bezighoudt. Samen met professor Wim Hardyns ontwikkelde hij de Voetbalveiligheidsbarometer. Daarmee wordt wetenschappelijk onderzocht hoe veilig het Belgische voetbal is.

Volgens Struyve was daar nood aan. Officiele statistieken brengen verschillende soorten incidenten soms samen in bredere categorieën, waardoor moeilijk te achterhalen is welke problemen het vaakst voorkomen. De barometer kijkt daarom niet alleen naar geweld, maar ook naar onder meer infrastructuur, toegangscontroles, camera’s en de ervaringen van veiligheidsactoren. De resultaten tonen vooral dat het supportersgeweld verandert.

Andere problemen

Twintig jaar geleden onderzocht Hardyns al voetbalgeweld. Toen kwamen volgens Struyve vooral racisme en fysiek geweld sterk naar voren. Vandaag ziet het landschap er anders uit. “Wat we zien, is dat andere vormen van voetbalgeweld vaak voorkomen”, zegt Struyve. Vooral pyrotechniek springt eruit. Ook het gooien van voorwerpen, het dragen van bivakmutsen en het gebruik van harddrugs komen volgens het onderzoek naar voren. Bij harddrugs gaat het volgens Struyve voornamelijk om cocaïne.

Opvallend is dat discriminatie volgens de barometer minder vaak wordt waargenomen dan misschien wordt gedacht. Dat betekent niet dat het probleem verdwenen is, maar wel dat andere vormen van wangedrag vaker worden gerapporteerd. Pyrotechniek staat daarbij bovenaan.

Dat vuurwerk ondanks toegangscontroles het stadion blijft binnenkomen, heeft volgens Struyve verschillende oorzaken. Het maakt voor bepaalde ultragroepen deel uit van hun groepsidentiteit. Tegelijk ziet hij beperkingen bij de controles aan de stadionpoorten.

Stewards kennen de supporters vaak persoonlijk en zijn in de eerste plaats belangrijk voor onthaal en begeleiding. Maar om de veiligheid streng te bewaken, hebben ze volgens Struyve minder middelen. Daar komt bij dat supporters bijzonder inventief kunnen zijn in het verbergen van pyrotechnisch materiaal. Een eenvoudige oplossing bestaat daarom niet.

Geen wondermaatregel

Clubs beschikken vandaag nochtans over heel wat instrumenten: stewards, camerabewaking, identiteitscontroles, combiregelingen en stadionverboden. Volgens Struyve hebben die maatregelen allemaal op een bepaalde manier een preventief effect. “Ik denk dat het echt een combinatie is. Ik denk niet dat er een maatregel uitsteekt die ervoor zal zorgen dat voetbalgeweld uitgeroeid wordt.”

“Ik denk niet dat er een maatregel uitsteekt die ervoor zal zorgen dat voetbalgeweld uitgeroeid wordt”

Rein Struyve (onderzoeker)

Vooral over de klassieke identiteitscontrole heeft hij vragen. Daarbij wordt gecontroleerd of de identiteit van de supporter overeenkomt met de naam op het ticket. Zulke controles kosten tijd en zijn niet altijd waterdicht. Digitalisering kan daar volgens hem verbetering in brengen. De invoering van identiteitsverificatie via Itsme ziet hij als een stap vooruit. Ook toeganscontrole met gezichtsherkenning kan volgens Struyve mogelijkheden bieden, al roept die technologie vragen op rond privacy en draagvlak bij supporters.

Stewards in de frontlinie

Maar technologie lost niet alles op. Volgens Struyve moet ook worden gekeken naar wie vandaag verantwoordelijk is voor de veiligheid in het stadion. Stewards spelen daarin een bijzondere rol. Dat zijn vrijwilligers die de club goed kennen, die bezoekers begeleiden en met supporters in dialoog gaan. Maar net die mensen staan bij incidenten vaak als eersten tegenover de supporters.

Uit de Voetbalveiligheidsbarometer blijkt volgens Struyve dat stewards regelmatig slachtoffer worden van voetbalgeweld. Bovendien zijn ze minder tevreden over de nazorg die ze na incidenten krijgen dan bijvoorbeeld politiemensen. Dat roept volgens hem vragen op over wat van een steward mag worden verwacht. “Ik denk niet dat het de verantwoordelijkheid is van iemand die daar aan een vrijwilligersvergoeding staat om tussen te komen bij zwaar fysiek geweld.”

Struyve pleit er niet voor om stewards uit de stadions te halen. Integendeel. Hun vertrouwdheid met supporters maakt hen volgens hem waardevol voor onthaal, begeleiding en dialoog. Voor zwaardere veiligheidstaken moet volgens hem wel worden bekeken of beter opgeleide of andere veiligheidsdiensten kunnen worden ingezet. Daarmee komt ook de verantwoordelijkheid van de clubs zelf in beeld.

Wie betaalt voor veiligheid?

Volgens Struyve ligt de prioriteit bij voetbalclubs sterk op het sportieve. Daardoor krijgt veiligheid volgens hem soms minder aandacht. “Ik denk dat clubs daar meer verantwoordelijkheid in kunnen nemen.” Hij wijst daarbij op een bredere discussie over politie-inzet rond voetbalwedstrijden. Meer politie inzetten lijkt een voor de hand liggende oplossing, maar de kosten daarvan komen uiteindelijk bij de samenleving terecht.

Struyve vraagt zich daarom in welke mate publieke middelen moeten worden ingezet voor de veiligheid van een privé-evenement. Anders dan bijvoorbeeld een jaarlijks festival worden in het Belgische profvoetbal vrijwel ieder weekend wedstrijden georganiseerd. Volgens hem mogen clubs daarom sterker geresponsabiliseerd worden om zelf in veiligheid te investeren. Meer politie betekent bovendien niet noodzakelijk minder problemen.

Harder is niet altijd beter

Ook Joshua Geertsen, directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, waarschuwt dat een te repressieve aanpak vijandigheid kan veroorzaken. Hij wees eerder op het belang van communicatie met supporters en een goede ontvangst van bezoekende fans. Volgens hem is er wetenschappelijk bewijs dat die aanpak werkt.

Onderzoek naar zogenoemde dialogue-based policing toont dat een grote politieaanwezigheid, en vooral een harde, bijna paramilitaire aanpak, eerder tot escalatie dan de-escalatie kan leiden bij bepaalde supportersgroepen. Dat betekent niet dat politie uit het stadion moet verdwijnen. Het gaat volgens Struyve vooral om de manier waarop er wordt opgetreden.

Ook stadionverboden illustreren die moeilijke balans. Een Supporter Liaison Officer (SLO) vertelde tijdens dit onderzoek dat een stadionverbod een gewone supporter sterk kan afschrikken, terwijl zo’n verbod binnen bepaalde harde kernen juist aanzien kan opleveren. Struyve herkent dat gedeeltelijk vanuit onderzoek naar hooliganisme. Toch schrijft hij stadionverboden niet af. Ze werpen letterlijk een barrière op waardoor iemand die zich heeft misdragen niet zomaar opnieuw het stadion binnen kan. De effectiviteit hangt vervolgens wel samen met de kwaliteit van toegangs- en identiteitscontroles.

Niet overal hetzelfde

Daar komt nog een ander probleem bij: de veiligheidsaanpak verschilt van stadion tot stadion. Volgens Struyve bestaat er relatief weinig uniformiteit. “Je merkt dat je in het ene stadion meer mag uitsteken dan in het andere.” Ook infrastructuur speelt daarbij een rol. Moderne stadions bieden volgens hem meer mogelijkheden om nieuwe veiligheidstechnologie, goede camerasystemen en geavanceerde toegangscontroles te gebruiken. Bij oudere infrastructuur is dat niet altijd even eenvoudig.

“Je merkt dat je in het ene stadion meer mag uitsteken dan in het andere”

Rein Struyve (onderzoeker)

Het verschil zit dus niet alleen in regels, maar ook in de middelen waarover clubs beschikken. Dat maakt het moeilijk om over ‘dé Belgische aanpak’ van supportersgeweld te spreken. Dezelfde regelgeving kan in verschillende stadions uiteindelijk anders worden toegepast.

Niet noodzakelijk extremer

Toch waarschuwt Struyve ervoor om daaruit te concluderen dat het supportersgeweld steeds extremer wordt. “Extremer is wat alarmistisch. Dat wordt vaak snel geroepen.” Net daarom vindt hij het belangrijk dat de Voetbalveiligheidsbarometer in de toekomst opnieuw wordt uitgevoerd. Pas wanneer dezelfde metingen over meerdere jaren worden herhaald, kan wetenschappelijk worden vastgesteld of het probleem daadwerkelijk groter wordt.

Wat vandaag wel zichtbaar is, is een verschuiving. Fysieke confrontaties vinden volgens Struyve bijvoorbeeld minder uitsluitend in en rond het stadion plaats. Sommige groepen spreken verder van het stadion af om elkaar op te zoeken, bijvoorbeeld bij zogenaamde bosgevechten. Niet noodzakelijk meer of extremer geweld dus, maar andere vormen en andere plaatsen.

De volgende stap

Voor de komende jaren ziet Struyve mogelijkheden om het Belgische voetbalveiligheidsbeleid verder te professionaliseren. Betere toegangscontroles zijn daar een onderdeel van, maar ook de manier waarop risicowedstrijden worden ingeschat kan volgens hem verbeteren. Vandaag gebeurt zo’n risico-inschatting nog sterk op basis van ervaring en eerdere incidenten. Een wedstrijd die in het verleden problemen opleverde, wordt daardoor sneller opnieuw als risicowedstrijd beschouwd.

Volgens Struyve kan in de toekomst meer met data worden gewerkt. Factoren zoals het competitieve belang, het verwachte aantal uitsupporters, de ligging van het stadion en eerdere incidenten kunnen samen een nauwkeuriger risicobeeld opleveren. Op langere termijn ziet hij zelfs mogelijkheden voor toepassingen van kunstmatige intelligentie. Maar technologie is uiteindelijk slechts een deel van het antwoord.

Van pyrotechniek en supportersgeweld tot cameratoezicht en stadionverboden: hoe veilig zijn onze voetbalstadions? In de reeks ‘Voetbalveiligheid’ onderzoekt reporter Achille Vancolen welke maatregelen werken, waar het misgaat en hoe de huidige aanpak ervaren wordt.

Veiligheid begint lang voor de aftrap: zo proberen Belgische profclubs supportersgeweld te voorkomen

Een voetbalwedstrijd beveiligen begint niet wanneer de scheidsrechter fluit. Risicoanalyses, veiligheidsafspraken, stewards, politie en supportersoverleg worden ruim voor de wedstrijd voorbereid. Toch waarschuwt de Dienst Voetbalveiligheid dat meer controle alleen niet volstaat. Ook communicatie, vertrouwen en de manier waarop supporters worden behandeld, bepalen mee of een wedstrijd rustig verloopt.

Wie op een wedstrijddag het stadion binnenwandelt, ziet vooral stewards aan de poorten, ticketcontroles en eventueel politie in de omgeving. Een groot deel van de veiligheidsorganisatie blijft voor de gemiddelde supporter echter onzichtbaar.

Ook bij Beerschot begint de veiligheidswerking al voor de supporters aan het stadion verschijnen. Bram Vaesen, communicatieverantwoordelijke bij de club, vertelde dat vooraf sweepings worden uitgevoerd om het stadion te controleren op voorwerpen die er niet thuishoren. Aan de ingangen volgen vervolgens ticket- en identiteitscontroles en kunnen supporters worden gefouilleerd.

Die controles hebben volgens Vaesen ook hun beperkingen. Stewards mogen slechts een oppervlakkige fouillering uitvoeren. Veiligheid is daardoor niet alleen een kwestie van controleren aan de stadionpoort. De club werkt ook samen met politie en andere veiligheidsdiensten en zet in op overleg met supporters.

Meer dan controleren

De aanpak bij Beerschot illustreert dat preventie uit verschillende lagen bestaat. Controles moeten voorkomen dat verboden materiaal het stadion binnenkomt, terwijl stewards en veiligheidsdiensten tijdens de wedstrijd toezicht houden. Tegelijk probeert de club vooraf met supporters te communiceren. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in de aanpak van pyrotechniek. Beerschot voert vooraf sweepings uit, controleert bagage en kledij aan de ingangen en werkt samen met politie en veiligheidsdiensten. Daarnaast worden supporters gesensibiliseerd en kunnen sfeeracties vooraf met de club worden besproken.

Die combinatie van controle, communicatie en samenwerking past binnen het bredere Belgische voetbalveiligheidsbeleid. Joshua Geertsen, directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken, legt uit dat zijn dienst controleert of clubs voldoen aan wettelijke voorschriften rond onder meer infrastructuur, ticketbeleid en de inzet van stewards. Daarnaast behandelt een sanctieteam processen-verbaal en kunnen boetes en stadionverboden worden opgelegd. Een beleidsteam houdt zich bezig met de analyse en aanpassing van regelgeving en ondersteunt projecten die de voetbalveiligheid moeten verbeteren. Clubs organiseren bovendien lokale adviesraden waarin onder andere politie, brandweer, supportersverenigingen en soms buurtbewoners samenkomen.

Contact met supporters

Opvallend genoeg noemt Geertsen niet meer politie, strengere fouilleringen of meer camera’s wanneer hem wordt gevraagd welke preventievemaatregel het belangrijkst is. “Het belangrijkste wat je kan doen ter preventie, is contact met de supportersgroepen.” Daarbij speelt volgens hem de Supporter Liaison Officer, of SLO, een belangrijke rol. Die vormt de schakel tussen het clubbestuur en de supporters. Ook spotters van de politie proberen dicht bij supportersgroepen te staan.

Een goede wisselwerking tussen supporters, club en politie kan volgens Geertsen voorkomen dat situaties escaleren. Wanneer veiligheidsdiensten weten wat er leeft binnen supportersgroepen, kunnen ze beter inschatten welke maatregelen nodig zijn. Dat betekent niet dat verboden gedrag wordt toegestaan. Geertsen geeft het voorbeeld van supporters die van plan zijn pyrotechniek te gebruiken. Wanneer de club en de politie dat vooraf weten, kunnen ze erop anticiperen, ook al blijft het gebruik verboden. Een vertrouwensband kan volgens hem zelfs helpen om bij gevoelige wedstrijden minder drastische maatregelen te nemen. Dat kan op zijn beurt zorgen voor een rustigere sfeer.

In een kooi

Meer veiligheidsmaatregelen betekenen volgens Geertsen namelijk niet automatisch meer veiligheid. Vooral de manier waarop uitsupporters worden ontvangen, kan volgens hem een rol spelen bij het ontstaan van spanningen. Bezoekende supporters komen volgens hem soms terecht in een afgelegen deel van het stadion, met slechte sanitaire voorzieningen, weinig begeleiding en zware controles. Zo kan al voor de wedstrijd vijandigheid ontstaan. “Hoe meer mensen zich in een kooi gaan voelen, hoe meer ze zich ook gaan gedragen als beesten.”

“Als je iemand gaat behandelen als een dader, dan gaat hij zich veel sneller gedragen als een dader”

Joshua Geertsen (directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken)

Geertsen wijst daarom op het belang van wat hij het service-aspect noemt. Voetbalveiligheid bestaat volgens hem niet alleen uit safety en security, maar ook uit service. De manier waarop supporters worden ontvangen en behandeld, kan mee bepalen hoe ze zich gedragen. “Als je iemand gaat behandelen als een dader, dan gaat hij zich veel sneller gedragen als een dader.” Een proper bezoekersvak, goede sanitaire voorzieningen en duidelijke begeleiding lijken misschien kleine zaken tegenover camerabewaking en politie-inzet. Volgens Geertsen kunnen ze wel bijdragen aan een minder vijandige omgeving.

Preventie alleen volstaat niet

Communicatie en een goede ontvangst hebben volgens Geertsen echter hun grenzen. Preventie werkt moeilijk wanneer supporters denken dat overtredingen toch zonder gevolgen blijven. “We kunnen heel preventief optreden en sensibiliseren. Maar als die supporters de perceptie van straffeloosheid krijgen, dan mag je nog zoveel sensibiliseren.” Wanneer supporters denken dat ze door een bivakmuts niet geidentificeerd kunnen worden of merken dat bij incidenten nauwelijks wordt opgetreden, kan volgens hem het gevoel ontstaan dat ze weinig risico lopen.

Daarom is naast preventie ook handhaving nodig. Geertsen ziet daarbij verschillen tussen lokale politiezones. Sommige zones besteden volgens hem meer aandacht aan de voetbalwet en het identificeren en sanctioneren van overtreders. Dat heeft ook gevolgen voor clubs. Zij kunnen supporters sensibiliseren en regels communiceren, maar die boodschap verliest aan kracht wanneer overtredingen zelden gevolgen hebben. “Als men enkel met de wortel gaat werken, dan wordt het heel moeilijk om bepaalde supportersgroepen in lijn te houden”, zegt Geertsen.

Bekers en vuurwerk

Supportersgeweld bestaat bovendien uit meer dan vechtpartijen. Volgens Geertsen behoort het gooien van voorwerpen tot de vaakst voorkomende inbreuken. Een beker of ander voorwerp is snel gegooid wanneer frustraties oplopen. Ook pyrotechniek staat volgens hem de laatste jaren bij de meest voorkomende overtredingen. Geertsen schat dat ongeveer een kwart van de inbreuken betrekking heeft op het bezit of gebruik van pyrotechnisch materiaal. Niet alleen degene die het vuurwerk afsteekt, kan worden gestraft. Ook het faciliteren ervan is strafbaar. Wie bijvoorbeeld een vlag voor iemand houdt zodat die persoon ongezien pyrotechniek kan afsteken, kan eveneens worden gesanctioneerd.

Geertsen ziet daarnaast een verandering in de manier waarop incidenten plaatsvinden. Hij benadrukt dat cijfers tussen seizoenen moeilijk rechtstreeks te vergelijken zijn, onder meer omdat het aantal wedstrijden kan verschillen. Toch ziet hij sinds de coronaperiode een duidelijke evolutie. Het aantal wedstrijden waarbij incidenten plaatsvinden, blijft volgens hem de laatste jaren ongeveer gelijk. De incidenten zelf lijken echter vaker georganiseerd.

“Het aantal wedstrijden waar een incident plaatsvindt, blijft sinds corona min of meer gelijk. Maar het is de manier waarop dat toch een groot verschil kent”

Joshua Geertsen (directeur van de Dienst Voetbalveiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken)

Waar vijftien jaar geleden volgens Geertsen bijvoorbeeld enkele individuen een Bengaals vuur aanstaken, ziet hij nu acties waarbij grote delen van een tribune tegelijk pyrotechniek gebruiken. Ook confrontaties tussen supportersgroepen kunnen volgens hem vooraf gepland zijn. “Het aantal wedstrijden waar een incident plaatsvindt, blijft sinds corona min of meer gelijk. Maar het is de manier waarop dat toch een groot verschil kent.”

Groter en beter

Sociale media kunnen die ontwikkeling volgens Geertsen versterken. Beelden van pyrotechnische acties en confrontaties verspreiden zich snel online. Supportersgroepen kunnen zo zien wat andere groepen doen en elkaar proberen te overtreffen. “Het moet altijd groter zijn. Het moet beter zijn.”

Volgens Geertsen kunnen dergelijke acties gebruikt worden om andere supportersgroepen te imponeren of provoceren. Ook klassieke media spelen volgens hem een rol wanneer beelden van vuurwerk, gemaskerde supporters of confrontaties veel aandacht krijgen. Hij maakt de vergelijking met streakers tijdens sportwedstrijden. Die worden bewust niet meer in beeld gebracht om hen geen extra aandacht te geven. Bij grote pyrotechnische acties gebeurt volgens hem vaak het tegenovergestelde.

Geen wondermiddel

De preventie van supportersgeweld bestaat uit een combinatie van maatregelen. Controles, fouilleringen, camerabewaking, stewards, spotters, stadionverboden en supportersoverleg vullen elkaar aan. De aanpak bij Beerschot laat zien hoe een club probeert controles aan de stadionpoort te combineren met samenwerking en communicatie.

Tegelijk blijkt uit de uitleg van Geertsen dat veiligheid niet alleen wordt bepaald door het aantal agenten, stewards of camera’s. Ook communicatie met supporters, hun ontvangst in het stadion en het vertrouwen tussen supporters en veiligheidsdiensten spelen een rol. Tegelijk blijft handhaving noodzakelijk wanneer grenzen worden overschreden. Preventie van supportersgeweld is daardoor geen keuze tussen praten of sanctioneren, maar een combinatie van beide. En die aanpak begint lang voordat de bal voor het eerst rolt.

Van pyrotechniek en supportersgeweld tot cameratoezicht en stadionverboden: hoe veilig zijn onze voetbalstadions? In de reeks ‘Voetbalveiligheid’ onderzoekt reporter Achille Vancolen welke maatregelen werken, waar het misgaat en hoe de huidige aanpak ervaren wordt.

Tussen club en tribune: Tonia Vermeersch zoekt iedere wedstrijd opnieuw de middenweg

Als Supporter Liaison Officer van SV Zulte Waregem staat Tonia Vermeersch tussen de club en haar supporters. Ze wil sfeer en beleving, maar moet ook grenzen trekken wanneer die worden overschreden. “De grootste uitdaging is dat je zowel de supporters tevreden moet houden, maar ook de club.”

Lang voordat de wedstrijd begint, is Tonia Vermeersch al aanwezig. Niet om de tactiek te bespreken of de spelers op te wachten, maar om ervoor te zorgen dat de communicatie tussen de club en haar supporters loopt. Als er bijvoorbeeld tijdens een wedstrijd een applausmoment wordt georganiseerd voor iemand die overleden is, zorgt zij ervoor dat supporters weten wat er gaat gebeuren. Wanneer de sfeergroep een actie voorbereidt, helpt ze mee om die praktisch in goede banen te leiden.

Supporters weten haar ondertussen te vinden. Tijdens wedstrijden staat ze meestal op dezelfde plaats. Wie een vraag of probleem heeft, kan bij haar terecht. Dat is in essentie haar functie als Supporter Liaison Officer (SLO). “Ik ben zo’n beetje het aanspreekpunt tussen de club en de supporters”, vat Vermeersch haar rol samen.

SLO is een vrijwillige, onbezoldigde functie, waar iedere supporter zich voor kandidaat kan stellen. Momenteel neemt Vermeersch samen met haar collega Jonas Vandeplassche de rol van SLO-team op zich.

Van supporter naar SLO

Haar band met SV Zulte Waregem bestond al lang voordat ze SLO werd. Vermeersch had jarenlang een abonnement, ging bijna iedere verplaatsing mee en was actief binnen een supportersclub. Daar hielp ze onder andere met de inschrijvingen voor verplaatsingen. Zo leerde ze door de jaren heen heel wat supporters persoonlijk kennen.

Toen de toenmalige SLO veiligheidsverantwoordelijke werd en beide functies niet meer combineerbaar bleken, kwam de vraag of Vermeersch een opleiding tot SLO wilde volgen. Op dat moment was voor haar nog niet duidelijk wat een SLO was. Vandaag vormt net die jarenlange band met de supporters een belangrijk onderdeel van haar werk. Een SLO moet dicht genoeg bij de supporters staan om hun vertrouwen te behouden, maar tegelijk samenwerken met de club en de veiligheidsdiensten.

“De grootste uitdaging is dat je zowel de supporters als de club tevreden moet houden”

Tonia Vermeersch (Supporter Liaison Officer bij SV Zulte Waregem)

Een scherp afgelijnde functieomschrijving bestaat volgens Vermeersch nauwelijks. Ze bemiddelt, communiceert en probeert problemen te voorkomen voordat andere veiligheidsactoren moeten ingrijpen. Daar zit meteen ook de moeilijkheid van haar functie. “De grootste uitdaging is dat je zowel de supporters als de club tevreden moet houden. Een goede middenweg vinden, is soms moeilijk.”

Eerst praten

Vermeersch is geen steward, politieagent of veiligheidsverantwoordelijke. Wanneer iemand de regels overtreedt, is het niet haar taak om die persoon uit de tribune te halen. Dat zou volgens haar de vertrouwensband tussen de SLO en de supporters beschadigen.

Haar eerste instrument is communicatie. Wanneer ze bijvoorbeeld vooraf merkt dat iemand verboden materiaal bij zich heeft, probeert ze die persoon eerst zelf te overtuigen om het af te geven. Pas wanneer iemand na zo’n waarschuwing weigert, zal ze het doorgeven.

Ook wanneer spanningen tussen supporters ontstaan, probeert Vermeersch eerst verbaal tussenbeide te komen. Bang om op een ruzie af te stappen is ze naar eigen zeggen niet. “We zijn allemaal voor dezelfde club”, probeert ze supporters dan duidelijk te maken. Zolang een situatie beheersbaar blijft, probeert ze zelf te bemiddelen. Wanneer het te ver gaat, laat ze het over aan stewards en politiespotters.

Die manier van werken illustreert precies waar een SLO zich bevindt: niet aan de repressieve kant van voetbalveiligheid, maar ook niet volledig aan de kant van de supporters. Vermeersch moet voortdurend inschatten wanneer ze zelf kan bemiddelen en wanneer anderen moeten overnemen.

Spanning tijdens de derby

Dat evenwicht wordt moeilijker wanneer wedstrijden gevoeliger liggen. De derby tegen KV Kortrijk is zo’n voorbeeld. Bij dergelijke wedstrijden komt volgens Vermeersch veel meer kijken dan wat supporters uiteindelijk op de tribune te zien krijgen. De veiligheidsverantwoordelijken van beide clubs werken samen met de politie en andere betrokken diensten. Er kan een combiregeling gelden, supportersbussen moeten opgelegde routes volgen en ook de verplaatsing naar het stadion wordt gecontroleerd.

Dat is niet zonder reden. Vermeersch herinnert zich verplaatsingen waarbij supportersbussen onderweg met blikken of flessen werden bekogeld. Ook het feit dat het stadion van KV Kortrijk midden in de stad ligt, maakt de verplaatsing volgens haar moeilijker te organiseren. “De weg naar het stadion en rond het stadion moet dus gecoördineerd worden.”

Voor Vermeersch is een derby daardoor veel meer dan negentig minuten voetbal. De veiligheidsorganisatie begint al tijdens de reis naar het stadion en stopt niet onmiddellijk na het laatste fluitsignaal. Zeker na een nederlaag kunnen emoties op de parking nog hoog oplopen.

Ze vindt het jammer dat zulke wedstrijden daardoor soms minder geschikt worden voor gezinnen. “Er gaan ook kinderen naar het voetbal kijken, we zien er wel steeds minder op zo’n match.” Toch benadrukt ze dat er in het stadion zelf relatief weinig incidenten plaatsvinden. De aanwezigheid van stewards, spotters en veiligheidsverantwoordelijken zorgt ervoor dat supporters weten dat er toezicht is.

Niet iedereen afschrikken

Ook over stadionverboden is Vermeersch genuanceerd. Volgens haar kunnen sancties gewone supporters wel degelijk afschrikken. Een waarschuwing dat een volgende overtreding tot een stadionverbod kan leiden, heeft volgens haar vaak effect. Bij de harde kern ligt dat anders. “De echte harde kern is niet bang om een stadionverbod te krijgen”, zegt Vermeersch. Voor sommige leden van zulke groepen kan een stadionverbod volgens haar zelfs als een soort statussymbool worden gezien. Dat maakt preventie complexer. Dezelfde maatregel heeft niet noodzakelijk hetzelfde effect op iedere supporter.

“De echte harde kern is niet bang om een stadionverbod te krijgen”

Tonia Vermeersch (Supporter Liaison Officer bij SV Zulte Waregem)

Ook politieaanwezigheid moet volgens haar in verhouding blijven. Politie moet zichtbaar zijn, maar een te grote machtsontplooiing kan volgens Vermeersch juist extra spanning veroorzaken. “We moeten zien dat er politie is, maar ook niet te veel.”

Ze verwijst daarbij naar haar ervaringen bij uitwedstrijden waar grote aantallen agenten in volledige uitrusting aanwezig zijn. Dat kan volgens haar bedreigend overkomen en averechts werken. Vermeersch ziet meer in vertrouwde stewards en politiemensen die de supporters kennen en aanspreekbaar zijn.

Sfeer zonder geweld

Vermeersch begrijpt waarom supporters sfeer willen creëren. Een voetbalstadion moet volgens haar leven. Ze wil zelf ook geen wedstrijd meemaken waarin iedereen negentig minuten stil op zijn stoel blijft zitten. “Er moet sfeer en ambiance zijn.”

Tegelijk kent ze de gevaren van vuurwerk en pyrotechniek uit persoonlijke ervaring. Als kind liep Vermeersch zelf ernstige brandwonden op. Daardoor weet ze hoe groot de gevolgen kunnen zijn wanneer vuur verkeerd wordt gebruikt. Vooral vuurwerk in een volle tribune gaat voor haar dan ook te ver.

Toch pleit ze niet voor een stadion waarin alle vormen van sfeer verdwijnen. Vermeersch ziet mogelijkheden in streng gecontroleerde vormen van pyrotechniek, waarbij vooraf duidelijk wordt afgesproken wie iets gebruikt, waar dat gebeurt en onder welke omstandigheden. Maar ook daar ziet ze een risico. “Geef ze een vinger en ze pakken je hand”, zegt ze. Er zullen volgens haar altijd supporters zijn die verder proberen te gaan dan wat werd afgesproken. “Het mag geen saaie bedoeling worden, maar het mag ook niet gewelddadig worden.”

Van pyrotechniek en supportersgeweld tot cameratoezicht en stadionverboden: hoe veilig zijn onze voetbalstadions? In de reeks ‘Voetbalveiligheid’ onderzoekt reporter Achille Vancolen welke maatregelen werken, waar het misgaat en hoe de huidige aanpak ervaren wordt.

Eclips in Antwerpen: “Het leven is mooi, en met de zonsverduistering wordt het nog mooier”

Woensdag vond de grootste zonsverduistering sinds 1999 plaats in ons land. Reporter Ahmad Hardan trok naar de Scheldekaaien in Antwerpen waar je de eclips goed kon waarnemen. Daar sprak hij met Peter, die zowel deze als de vorige zonsverduistering aanschouwde.

Kan je jezelf eens voorstellen?

“Goedendag, ik ben Peter, en ik ben hier in Antwerpen om naar de verduistering te kijken.”

Je was bij de zonsverduistering in 1999?

“Ja, die van de vorige eeuw. Dat is ondertussen al bijna 27 jaar geleden. Toen was ik wel een beetje jonger dan vandaag.” 

Wanneer heb je het beter kunnen ervaren, vandaag of in 1999? 

“De zonsverduistering van toen was niet zo spectaculair als vandaag, want toen was het bewolkt. Vandaag was de lucht veel helderder, de lucht is helemaal open en blauw. We kwamen toen ook net terug van een verre reis, we waren erg moe. Dus vandaag is de ervaring veel en veel aangenamer.”

Was jij in 1999 in Antwerpen aanwezig om de zonsverduistering te kijken? 

“Toen was ik in Brussel. Brussel is natuurlijk bijna even mooi als Antwerpen, maar niet even mooi.” 

Wil je nog iets toevoegen? 

“Het leven is mooi, en met de zonsverduistering is het leven ook nog mooier.”

Vijf fouten om te vermijden bij het creëren van een inclusief schoolklimaat: “Het stopt niet bij lesmateriaal alleen, ook rolmodellen maken een groot verschil”

Uit de kast komen in de klas? Allesbehalve evident. België zakte naar de vierde plaats op de Europese ranglijst voor LGBTQIA+-rechten en is dus niet langer koploper op vlak van gelijke rechten. Maar hoe kunnen secundaire scholen ervoor zorgen dat LGBTQIA+-jongeren zich veilig, gerespecteerd en welkom voelen op school? Hier zijn vijf fouten om te vermijden bij het creëren van een inclusief schoolklimaat.

Fout 1: zwijg in alle talen over LGBTQIA+

“Een inclusief curriculum is doorslaggevend”, stelt Gijs Van Dyck, beleidsmedewerker Onderwijs en Werkvloer bij Çavaria. “Leerlingen moeten zich kunnen herkennen in het lesmateriaal. Dat kan gaan van diverse relaties bespreken in de lessen biologie tot voorbeeldoefeningen in de lessen wiskunde, waarin verschillende genderidentiteiten aan bod komen.”

Toch blijkt openheid voor veel LGBTQIA+-leerkrachten nog niet evident. Slechts 25 procent van de niet-heteroseksuele respondenten voelt zich comfortabel om open te zijn tegenover ouders van leerlingen. Dat blijkt uit een enquête van de Christelijke Onderwijscentrale (COC), afgenomen tussen oktober 2025 en januari 2026. Bij niet-cisgendermedewerkers daalt dat cijfer zelfs tot 22 procent. Koen Van Kerkhoven, COC-secretaris, benadrukt daarom het belang van zichtbare rolmodellen binnen het onderwijs. “LGBTQIA+-collega’s moeten zonder angst zichzelf kunnen zijn in een veilig en warm werkklimaat. Dat is niet alleen essentieel voor hun welbevinden, maar ook voor leerlingen die in hen een rolmodel kunnen vinden”, vertelt hij in een interview met Bruzz.

Fout 2: laat pestgedrag en haatspraak onbeantwoord

Een verdraagzame school begint bij een duidelijk en doortastend antipestbeleid. Dat betekent concrete maatregelen bij grensoverschrijdend gedrag: van haatspraak in de klas tot online pesten.

Dat is ook beleidsmatig verankerd, benadrukt Rita Van Durme van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming: “Het Gelijke-onderwijskansenbeleid verplicht scholen om uitsluiting, segregatie en discriminatie actief tegen te gaan en optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen te waarborgen.” Schoolbesturen zijn verplicht hun non-discriminatiebeleid en leefregels op te nemen in het schoolreglement. “De whole school approach biedt een sterk kader om ook discriminerend pestgedrag gericht tegen LGBTQIA+-leerlingen tegen te gaan”, aldus Van Durme.

Maar een verdraagzame school stopt niet bij een antipestbeleid. “Solidariteit is essentieel”, pleit Van Dyck. “Dezelfde bewegingen die gender- en seksuele rechten in vraag stellen of proberen terug te schroeven, voeden ook andere vormen van discriminatie, zoals racisme en antisemitisme. Dat discours speelt verschillende groepen tegen elkaar uit, terwijl hun onderliggende belangen vaak gelijklopen.” Scholen kunnen leerlingen helpen dat polarisatiemechanisme te doorzien door mediawijsheid structureel in te bouwen in het curriculum en hen te leren hoe ze in het middenveld het verschil kunnen maken.

Fout 3: mijd elke dialoog

“Het allerbelangrijkste blijft de bespreekbaarheid in de klas”, pleit Ann Verreth, algemeen directeur van Odisee Hogeschool en voorzitster van de Vlaamse Onderwijsraad. “Scholen moeten inzetten op een open en inclusief klimaat.” Van Dyck sluit zich daarbij aan: “Het is prioritair dat er in gesprek wordt gegaan met alle leerlingen en andere betrokken partijen. Daarnaast is het essentieel dat scholen niet alleen luisteren naar de luidste stemmen, maar ook naar het stille midden.”

Leerkrachten spelen daarin een sleutelrol, vindt Van Durme. “Leerkrachten merken als eersten gedragsveranderingen op bij leerlingen en kunnen het CLB inschakelen wanneer professionelere ondersteuning nodig is. Het CLB neemt op zijn beurt de coördinatie op naar externe partners binnen welzijn en hulpverlening.”

Van Dyck is duidelijk over wat er minimaal van leerkrachten wordt verwacht in de klas: “Om ervoor te zorgen dat alle leerlingen zich gehoord voelen, moeten leerkrachten een veilige omgeving creëren in het klaslokaal. Dat betekent dat discriminerende uitspraken niet door de beugel kunnen en dat er ruimte is voor open en respectvolle gesprekken.”

Fout 4: zorg dat niemand iets weet over LGBTQIA+

Volgens Verreth kan de overheid scholen sterker ondersteunen via gerichte opleidingen en vormingen rond de specifieke noden van LGBTQIA+-leerlingen. “Opleidingen of vormingen zouden zeker welkom zijn”, stelt ze.

Ook Roselien Maddens, zorgcoördinator voor de tweede en derde graad aan Spes Nostra Heule, herkent die nood: “In de praktijk komt het erop neer dat je jezelf moet bijscholen. Gerichte nascholingen zouden een grote meerwaarde zijn. Vandaag heerst er bij ons als zorgcoördinatoren nog vaak handelingsverlegenheid.”

Maar scholen staan er niet alleen voor, stelt Van Durme: “De Vlaamse overheid subsidieert Çavaria al sinds begin jaren 2000 om de onderwijssector te ondersteunen bij het creëren van een inclusieve omgeving voor LGBTQIA+-leerlingen en personeel. Ze bieden trajectbegeleiding, vormingen en leermiddelen aan op maat van de school.”

Fout 5: laat het allemaal maar gebeuren

“Scholen kunnen niet alles dragen”, nuanceert Van Durme. “Het werk van scholen kan slechts vruchten afleveren als ook andere sectoren inspanningen leveren en er vanuit een integrale visie aan mentaal welzijn wordt gewerkt.” Door toenemende polarisering en de invloed van sociale media is de context complexer dan ooit tevoren.

“Er vallen beslissingen boven onze hoofden en er zijn grote krachten waar we ons weerloos tegen voelen”, beaamt Van Dyck. “Maar het is belangrijk om onze stem te laten horen, zowel op straat als online. We mogen ons niet laten intimideren, zeker niet op sociale media.”

Daarnaast benadrukt Van Dyck het belang van blijvend engagement, ook buiten de schoolcontext. Hij roept op om bewust in te zetten op positieve online interactie: “De algoritmes zijn zo ontworpen dat content met veel interactie vaker zichtbaar wordt. Dus laat positieve commentaren achter, deel en herplaats hoopvolle en ondersteunende berichten.” Deze aanpak vermijdt volgens hem dat haatdragende content dominant wordt. “Spread the love”, besluit Van Dyck.

Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.

Column | “Wie stil blijft over de taliban in Afghanistan, is medeplichtig aan genderapartheid”

Wat vandaag in Afghanistan gebeurt, is geen verzameling losse maatregelen. Het is een systematisch beleid dat vrouwen uit het openbare leven wil bannen, schrijft Fatima Noori. “Wat mij misschien nog het meeste pijn doet, is niet alleen wat de taliban doen. Het is wat de rest van de wereld níét doet.”

In een reeks columns neemt Fatima Noori (18) ons, vijf jaar nadat de taliban de macht opnieuw overnamen, mee in haar gedachtewereld over haar geboorteland Afghanistan. Vandaag deel 3: Hoe de wereld toekijkt en koffie drinkt met de taliban. Lees hier de andere columns uit de reeks.

Hoeveel rechten moet je een meisje afnemen voor de wereld ophoudt met wegkijken? Die vraag stel ik mezelf telkens wanneer ik lees dat de taliban opnieuw een wet hebben ingevoerd die vrouwen nog verder uit het openbare leven bant. Niet in één keer, maar stap voor stap worden Afghaanse vrouwen en meisjes onzichtbaar gemaakt. Hun scholen sluiten. Hun werk wordt verboden. Hun stem wordt gesmoord. Hun toekomst wordt afgenomen.

Afghanistan is mijn geboorteland. Tien jaar geleden vluchtte ik met mijn familie naar België. Hier mocht ik opnieuw naar school. Hier ontdekte ik dat een meisje mag dromen, schrijven en haar mening mag uiten. Terwijl ik mijn eerste boek schreef, werden meisjes van mijn leeftijd in Afghanistan  uit de klas gestuurd. Terwijl ik mijn stem vond, werd die van hen steeds verder het zwijgen opgelegd. Dat contrast draag ik iedere dag met mij mee.

Ik ben gevlucht uit Afghanistan, maar Afghanistan is nooit uit mij verdwenen. Iedere wet die een Afghaans meisje haar toekomst ontneemt, voelt ook als een aanval op een deel van mezelf. Ik mag vandaag journalist zijn, op een podium staan en mijn mening uitspreken. Dat zijn geen vanzelfsprekendheden. Dat zijn rechten die miljoenen Afghaanse meisjes vandaag worden ontzegd.

Genderapartheid

Wat vandaag in Afghanistan gebeurt, is geen verzameling losse maatregelen. Het is een systeem dat de helft van de bevolking haar fundamentele rechten ontneemt. Een beleid dat vrouwen uit het openbare leven wil bannen. Vrouwen worden uitgesloten van werk, cultuur, sport en steeds meer aspecten van het dagelijkse leven. Hun bewegingsvrijheid wordt beperkt en hun aanwezigheid in de samenleving wordt steeds verder uitgewist. Daar bestaat een naam voor: genderapartheid.

Afghaanse vrouwen en mensenrechtenverdedigers vragen de internationale gemeenschap al jaren om die situatie ook zo te benoemen. Zij vragen geen medelijden. Zij vragen erkenning. Hun oproep verdient meer dan sympathie. Ze verdient politieke moed.

Toch hoor ik nog altijd dat dit “hun cultuur” of “hun religie” zou zijn. Nee. Dit is geen islam. Dit is geen cultuur. Dit is machtsmisbruik. De islam leert niet dat vrouwen minderwaardig zijn, integendeel. De Koran (9:71) benadrukt de waardigheid van mannen én vrouwen en beschouwt hen als gelijkwaardig in hun menselijkheid en verantwoordelijkheid. De profeet Mohammed moedigde kennis en onderwijs aan voor iedere moslim. Bovendien wordr in de Koran benadrukt dat man en vrouw gelijk zijn en elkaars bondgenoten:

“De gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars beschermers (of bondgenoten). Zij gebieden het goede en verbieden het slechte, onderhouden het gebed, geven de zakaat en gehoorzamen Allah en Zijn Boodschapper.”

De profeet Mohammed moedigde kennis en onderwijs aan voor iedere moslim. Eén van zijn bekendste uitspraken luidt: “Het paradijs ligt onder de voeten van de moeder.” Dat is geen beeld van onderdrukking, maar van respect, waardigheid en eerbied.

“Wie bang is voor een meisje met een boek, een vrouw met een diploma of een moeder met een eigen mening, toont niet zijn macht, maar zijn angst”

Fatima Noori (18)

Religie gebruiken om vrouwen hun rechten af te nemen, is daarom geen religieuze overtuiging. Het is een politieke keuze. De taliban misbruiken het geloof om hun macht te legitimeren. Daarmee doen ze niet alleen onrecht aan Afghaanse vrouwen aan, maar ook aan miljoenen moslims wereldwijd die hun geloof beleven vanuit rechtvaardigheid, mededogen en gelijkwaardigheid.

Wie vrouwen hun stem ontneemt, toont geen kracht. Wie bang is voor een meisje met een boek, een vrouw met een diploma of een moeder met een eigen mening, toont niet zijn macht, maar zijn angst. Want kennis is gevaarlijk voor wie wil overheersen. Vrijheid is bedreigend voor wie alleen kan regeren door anderen klein te houden.

Geen voorpaginanieuws meer

Wat mij misschien nog het meeste pijn doet, is niet alleen wat de taliban doen. Het is wat de rest van de wereld níét doet. Vijf jaar nadat de taliban de macht weer innamen, verdwijnt Afghanistan steeds vaker van de voorpagina’s. Andere conflicten eisen onze aandacht op. Maar voor miljoenen meisjes stopt de onderdrukking niet wanneer de camera’s vertrekken. Hun leven blijft stilstaan.

Mensenrechten zijn geen luxe die alleen gelden wanneer het politiek goed uitkomt. Ze zijn universeel, of ze betekenen niets. Daarom moeten regeringen niet alleen de taal van mensenrechten spreken, maar er ook naar handelen.

In juni ontving Brussel vertegenwoordigers van de taliban voor gesprekken over migratie en terugkeer. De Europese Commissie benadrukte dat zulke contacten geen diplomatieke erkenning van het regime is. Toch voelt dat voor veel Afghaanse vrouwen als verraad. Ze zien hoe dezelfde landen die vrijheid en gelijkheid verdedigen, onderhandelen met de machthebbers die hun dochters het recht op onderwijs hebben ontnomen. Mensenrechten mogen nooit onderhandelbaar worden zodra migratie of geopolitieke belangen op tafel liggen.

“Vijf jaar nadat de taliban de macht weer innamen, verdwijnt Afghanistan steeds vaker van de voorpagina’s”

Fatima Noori (18)

Wanneer een regime dat vrouwen systematisch uitsluit van onderwijs, werk en het openbare leven een plaats krijgt aan de gesprekstafel, ontstaat onvermijdelijk de indruk dat normalisering belangrijker wordt dan gerechtigheid. Ik begrijp dat diplomatie soms noodzakelijk is. Staten moeten met moeilijke regimes kunnen spreken. Maar diplomatie mag nooit betekenen dat onze waarden verdwijnen. Wie met de taliban spreekt, moet mensenrechten niet als een randonderwerp behandelen, maar als het vertrekpunt van elk gesprek.

Blijven dromen en hopen

De taliban vertegenwoordigen niet de Afghaanse bevolking. Afghanistan is meer dan de taliban. Afghanistan bestaat ook uit de vrouwen die blijven vechten, de meisjes die ondanks alles blijven dromen, de journalisten die blijven schrijven, de moeders die hun dochters hoop proberen te geven en de mensen die weigeren hun menselijkheid op te geven.

Toeval bracht mij naar België, maar toeval mag nooit bepalen wie recht heeft op onderwijs, vrijheid en een toekomst. Later zal de geschiedenis zich niet alleen herinneren wat de taliban deden. Ze zal zich ook herinneren hoe de wereld reageerde. Of hoe de wereld niet reageerde. De vraag is niet hoeveel onrecht Afghaanse vrouwen nog moeten doorstaan. De vraag is hoeveel stilte wij nog bereid zijn te aanvaarden.

Column | “Ik ben meer dan een migrant uit Afghanistan”

Opgroeien tussen culturen, schrijft Fatima Noori, is “meerdere werelden meekrijgen, maar niemand die je leert hoe je ze moet combineren.”

In een reeks columns neemt Fatima Noori (18) ons, vijf jaar nadat de taliban de macht opnieuw overnamen, mee in haar gedachtewereld over haar geboorteland Afghanistan. Vandaag deel 2: ‘Ik ben meer dan een migrant uit Afghanistan.’ Lees hier de andere columns uit de reeks.

Ik heb vaak het gevoel dat mensen mij proberen te begrijpen voordat ze mij leren kennen. Ze zien mijn naam. Ze horen mijn accent. Ze vragen waar ik ‘echt’ vandaan kom. Ze plaatsen mij in een vakje nog voor ze mijn verhaal kennen.

Mijn naam is Fatima. Ik ben achttien jaar. Ik ben geboren in Afghanistan en opgegroeid in België. Ik leef tussen twee werelden, maar soms voelt het alsof ik nergens volledig thuishoor. Dat is het vreemde aan opgroeien tussen culturen: je krijgt meerdere werelden mee, maar niemand leert je hoe je ze moet combineren.

Brug tussen werelden

Als kind dacht ik dat identiteit iets eenvoudig was. Dat je ergens geboren werd, een taal sprak, een cultuur had en wist wie je was. Maar wanneer je migreert, verandert alles. Je neemt een verleden mee dat anderen niet altijd begrijpen, terwijl je tegelijkertijd probeert een toekomst op te bouwen in een nieuwe omgeving. Je wordt een brug tussen werelden. Maar niemand vertelt je hoe zwaar het is om altijd een brug te moeten zijn.

In Afghanistan zou mijn leven er waarschijnlijk anders hebben uitgezien. Mijn toekomst zou misschien al grotendeels bepaald zijn. Er zouden verwachtingen zijn over wie ik moet zijn, hoe ik mij moet gedragen, welke keuzes ik moet maken.

In België kreeg ik kansen die ik nooit als vanzelfsprekend beschouw. Ik mocht naar school. Ik mocht schrijven. Ik mocht dromen. Ik mocht mijn stem gebruiken. Maar ook hier ontdekte ik dat vrijheid niet betekent dat je nooit meer hoeft uit te leggen wie je bent.

“Voor mij is identiteit iets waar ik elke dag opnieuw over nadenk. Ben ik Belg genoeg? Ben ik Afghaans genoeg? Ben ik te westers voor de ene groep en te buitenlands voor de andere?”

Fatima Noori (18)

Want soms word je niet gezien als Fatima. Je wordt gezien als migrant. Een woord dat voor sommigen meer zegt dan duizend verhalen. Een migrant wordt vaak bekeken als iemand die iets mist. Iemand die moet bewijzen dat hij erbij hoort. Iemand die dankbaar moet zijn, maar niet te veel ruimte mag innemen. Iemand die voortdurend wordt gevraagd om zijn afkomst uit te leggen, terwijl anderen nooit hoeven te verklaren waarom zij ergens thuishoren.

Maar een mens is meer dan zijn afkomst. Ik ben niet alleen iemand die ooit gevlucht is. Ik ben niet alleen een Afghaans meisje. Ik ben niet alleen een migrant. Ik ben schrijfster. Ik ben reporter. Ik ben dochter. Ik ben vriendin. Ik ben iemand met dromen, twijfels, fouten en herinneringen.

Het moeilijkste aan migratie

Toch voel ik vaak dat mensen eerst mijn achtergrond zien en pas daarna mij. Op school merkte ik dat vaak. Ik zie leeftijdsgenoten die vanzelfsprekend lijken te weten wie ze zijn. Ze bewegen zich door de wereld zonder voortdurend na te denken over hoe anderen hen bekijken. Voor hen is identiteit vaak iets dat gewoon bestaat.

Voor mij is identiteit iets waar ik iedere dag opnieuw over nadenk. Ben ik Belg genoeg? Ben ik Afghaans genoeg? Ben ik te westers voor de ene groep en te buitenlands voor de andere? Die vragen komen niet altijd uit mezelf. Soms worden ze door de omgeving opgelegd. Want wanneer iemand vraagt: “Waar kom je echt vandaan?”, lijkt het soms alsof mijn antwoord: “België”, niet genoeg is.

Alsof ik altijd een voetnoot blijf. Alsof mijn verhaal altijd begint bij mijn vlucht en niet bij mijn dromen. Dat is misschien één van de moeilijkste dingen aan migratie: dat je een nieuw leven opbouwt, maar dat anderen je soms blijven herinneren aan het moment waarop je aankwam.

“Eén van de moeilijkste dingen aan migratie is dat je een nieuw leven opbouwt, maar dat anderen je soms blijven herinneren aan het moment waarop je aankwam”

Fatima Noori (18)

Migranten zijn niet alleen verhalen over verlies. Wij zijn ook verhalen over groei. Over nieuwe kansen. Over mensen die twee talen spreken, twee culturen kennen en verschillende werelden kunnen verbinden.

Opgroeien tussen culturen is niet alleen een strijd. Het is ook een kracht. Je leert verschillende perspectieven begrijpen. Je leert dat er meer dan één manier is om naar de wereld te kijken. Je leert dat identiteit niet iets vaststaand is, maar iets dat groeit.

Toch blijft het moeilijk wanneer je voortdurend gelabeld wordt. Want labels lijken misschien klein, maar ze kunnen zwaar wegen. Migrant. Vluchteling. Buitenlander. Woorden die soms gebruikt worden alsof ze alles over een persoon vertellen.

Ik ben onderweg

Maar geen enkel label kan een volledig mens bevatten. Achter elk label zit een verhaal. Een moeder die haar kinderen een betere toekomst wilde geven. Een kind dat opnieuw moest beginnen. Een jongere die probeert uit te zoeken wie hij of zij is.

Een persoon die niet gevraagd heeft om tussen werelden te leven, maar er toch een thuis probeert te vinden. Ik ben niet volledig oosters. Ik ben niet volledig westers. Ik ben niet één verhaal. Ik ben meerdere verhalen tegelijk.

Misschien ligt mijn identiteit niet in het kiezen tussen twee werelden. Misschien ligt mijn identiteit juist in het feit dat ik beide werelden draag. Ik ben Fatima. Niet alleen een migrant. Niet alleen een Afghaans meisje. Niet alleen iemand met een verleden. Ik ben iemand die onderweg is. En mijn verhaal is nog lang niet af.