Veiligheid begint lang voor de aftrap: zo proberen Belgische profclubs supportersgeweld te voorkomen
SportÇavaria-beleidsmedewerker Gijs Van Dyck over queer jongeren, polarisatie en onderwijs: “De pedagogische opdracht van scholen dreigt te verdwijnen”
Een veilig schoolklimaat blijft voor veel LGBTQIA+-jongeren geen evidentie. Uit de Grote Scholierenbevraging van de Vlaamse Scholierenkoepel blijkt dat dubbel zoveel LGBTQIA+-leerlingen zich slecht voelen op school als hun klasgenoten. Beleidsmedewerker bij Çavaria, Gijs Van Dyck: “We moeten ons zorgen maken.”
Bijna de helft van de LGBTQIA+-leerlingen voelt zich niet goed in hun vel op school. 43 procent is een verontrustend cijfer. Daarenboven kan 49 procent niet zichzelf zijn op school. Dat blijkt uit de Grote Scholierenbevraging van de Vlaamse Scholierenkoepel uit 2026.
“Scholen moeten investeren in het welbevinden van jongeren”, stelt Gijs Van Dyck, beleidsmedewerker Onderwijs en Werkvloer bij Çavaria. “Sommigen beweren dat een school slechts dient om te leren en om kennis over te dragen. Ook de huidige minister van Onderwijs legt hier de klemtoon. Maar uit heel wat onderzoeken blijkt dat leerlingen die zich onveilig voelen op school juist minder goed kennis kunnen opnemen en minder goed kunnen leren. Alsook voor de kennisoverdracht in het onderwijs heeft het lage welbevinden van de leerlingen een negatieve impact.”
Waarom is het welbevinden van LGBTQIA+-jongeren zo laag?
“Dat heeft verschillende oorzaken. Allereerst zien we een duidelijke maatschappelijke trend waarbij homofobie, transfobie en polarisatie toenemen, vooral in het secundair onderwijs. Volgens een bevraging van het Jeugdonderzoeksplatform uit 2023 is die stijging het sterkst bij jongens, jongeren met een religieuze achtergrond en leerlingen in de arbeidsfinaliteit. Zij hebben gemiddeld de meest homofobe overtuigingen. Bovendien is er op school vaak nog te weinig ruimte voor de psychische noden van jongeren. Dat maakt dat veel leerlingen zich niet veilig of ondersteund voelen.
Daarnaast spelen sociale media een grote rol. Jongeren komen daar steeds vaker in aanraking met vijandige discoursen en attitudes. Een bredere internationale anti-genderbeweging sijpelt via die kanalen door naar Vlaanderen.”
Waar komt die antigenderbeweging vandaan?
“Er zijn verschillende actoren die deze wereldwijde antigenderbeweging stimuleren. Alle actoren streven dezelfde agenda na. Ze stellen de gendergelijkheid, seksuele rechten en vrijheden in vraag en willen deze terugdringen.
Daaronder vallen politici zoals Trump, Orban en Poetin. Maar ook religieuze instanties, zoals het Vaticaan, spelen een rol. In de Verenigde Staten worden verworven rechten zoals abortus of het verbod op conversietherapie teruggedraaid. Zelfs transgenderzorg voor minderjarigen wordt in vraag gesteld.
Die opvattingen sijpelen ook Vlaanderen binnen via sociale media. Vlaamse actoren nemen deze gesprekspunten over en proberen hier voet aan grond te krijgen. Daarin blijken ze enigszins succesvol te zijn. Bovendien is het een bevolkingswijd fenomeen. We zien deze intolerantie zowel bij jongeren als bij leerkrachten. In alle generaties zien we een lichte evolutie richting meer conservatieve overtuigingen.
Ondanks deze lichte terugslag, zien we dat Europeanen steeds toleranter worden tegenover LGBTQIA+-personen. Hoewel de wereldwijde samenleving stappen terug aan het zetten is, worden we wel nog steeds meer overtuigd van gelijke rechten en wordt discriminatie meer en meer afgekeurd. Het is van belang om dat te blijven benadrukken.”
Een inclusieve en veilige schoolcultuur zorgt ervoor dat elke leerling zich vrij voelt om zichzelf te zijn
Gijs Van Dyck (beleidsmedewerker Çavaria)
U stelt dat er op scholen nog te weinig ruimte is voor de psychische noden van LGBTQIA+-jongeren. Wat verstaat u onder die psychische noden?
“Met leerlingen bedoel ik niet alleen queerleerlingen. Alle leerlingen hebben in de eerste plaats nood aan een omgeving van ondersteunende personen: schoolmedewerkers, leerkrachten en medeleerlingen die hen erkennen en steunen. Een inclusieve en veilige schoolcultuur zorgt ervoor dat elke leerling zich vrij voelt om zichzelf te zijn.
Daarnaast is een inclusief curriculum doorslaggevend. Leerlingen moeten zich kunnen herkennen in het lesmateriaal. Dat kan gaan van diverse relaties bespreken in biologie tot voorbeeldoefeningen in de les wiskunde waarin verschillende genderidentiteiten aan bod komen.”
Hoe creëren scholen een veilige en inclusieve omgeving?
“De meeste vragen die scholen aan Çavaria stellen, gaan over twee zaken: hoe ze moeten omgaan met transleerlingen en hoe ze kunnen reageren op homofobie en polarisatie.
Voor transleerlingen is het vooral belangrijk dat scholen de ruimte bieden om hun identiteit te verkennen. Jongeren moeten kunnen experimenteren en zichzelf ontdekken, ook al vanaf het kleuter- en lager onderwijs. Daarbij is het prioritair dat er in gesprek wordt gegaan met alle betrokkenen.
Daarnaast zien we dat polarisatie toeneemt, onder meer door invloeden zoals sociale media en de zogenaamde manosfeer. Tegelijk kampen leerlingen met andere problemen, zoals een moeilijke thuissituatie, een sociaaleconomische kwetsbaarheid of racisme op school. Wanneer ze het gevoel hebben dat er voor hun problemen geen ruimte is op school, kunnen jongeren zich afsluiten voor de verhalen van anderen. Daarom is het vitaal dat scholen naar alle leerlingen luisteren om een genuanceerd gesprek te voeren: niet alleen naar de luidste stemmen, maar ook naar het stille midden.”
Welke rol spelen leerkrachten hierin?
“Bij leerkrachten heerst de minimumverwachting dat ze van het klaslokaal, op het moment dat ze lesgeven, een veilige en inclusieve plek maken voor hun leerlingen. Dat betekent dat discriminerende uitspraken niet getolereerd worden en dat er ruimte is voor open, respectvolle gesprekken.
Tegelijk is het niet de kerntaak van leerkrachten om de zorgnoden van leerlingen op te vangen. In de praktijk gebeurt dat wel vaak, omdat de zorgsector en bijvoorbeeld de CLB’s onder grote druk staan en onvoldoende middelen hebben. Daardoor nemen leerkrachten die rol noodgedwongen op zich, boven op hun eigen taken. Dat is problematisch: ze hebben daar niet altijd de tijd, middelen of opleiding voor. Het wijst op een breder, structureel probleem binnen het onderwijs en de zorg.”
Veel jongeren voelen zich onveilig, maar stappen niet altijd naar iemand toe. Waar ligt die drempel volgens u?
“Het is logisch dat jongeren hulp zoeken bij mensen die ze kennen en vertrouwen. Als er een leerkracht voor de klas staat bij wie een leerling zich veilig voelt, is het vaak ook meer gewenst om daarbij zorgnoden te uiten of vragen aan te stellen. Maar niet elke leerling heeft een vertrouwenspersoon op school. Voor hen kan het net een meerwaarde zijn dat er ook externe aanspreekpunten zijn.
Anderzijds zien we dat het niet melden van incidenten en niet naar hulp zoeken een groot probleem is. Veel jongeren vrezen dat ze niet serieus genomen zullen worden of dat anderen de impact van een discriminerende of homofobe situatie niet zullen begrijpen. Daardoor blijven veel ervaringen onder de radar. Daarnaast gaan slachtoffers ook aan zichzelf twijfelen: had ik hier zelf een rol in? Moet ik me anders gedragen of juist meer verbergen? Is het mijn eigen schuld? Dat zorgt ervoor dat ze minder snel hulp zoeken.
We spreken in dat verband over een ‘dark number’: het grote aantal incidenten dat nooit gemeld wordt. Zeker bij LGBTQIA+-jongeren speelt mee dat niet iedereen uit de kast is of al volledig weet hoe die zich voelt. Wie zelf nog zoekende is, zal minder snel naar buiten komen met zulke ervaringen.”
De huidige focus ligt sterk op kennisoverdracht, terwijl het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen minder aandacht krijgen
Gijs Van Dyck (beleidsmedewerker Çavaria)
Waar lopen scholen vandaag nog vast als het gaat over een inclusief en veilig klimaat?
“Veel scholen zetten grote stappen vooruit en er zijn veel gemotiveerde leerkrachten en directies. Tegelijk zien we dat er nog veel onzekerheid heerst over hoe ze met deze thema’s moeten omgaan.
Die onzekerheid hangt samen met een gebrek aan knowhow en vorming en is vooral zichtbaar in de omgang met transleerlingen. Specifieke vragen, bijvoorbeeld rond het gebruik van voornaamwoorden, duiken op. Leerkrachten en leerlingenbegeleiders weten vaak niet hoe ze jongeren daarin kunnen ondersteunen: vanaf welke leeftijd kunnen of mogen jongeren zich zo identificeren en in welke mate moeten ouders betrokken worden? Ze willen genderdysforie niet minimaliseren, maar ook niet onbedoeld sturen. Daardoor heerst er handelingsverlegenheid. Daarnaast speelt ook het beleid een rol. De huidige focus ligt sterk op kennisoverdracht, terwijl het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen minder aandacht krijgen. Nochtans zijn die onlosmakelijk verbonden: zonder een veilig en inclusief klimaat kunnen leerlingen ook moeilijk kennis verwerven.”
Hoe beoordeelt u het huidige onderwijsbeleid rond welzijn en diversiteit?
“Er zijn zeker positieve elementen. Minister Demir verplichtte scholen recent om een antipestbeleid op te stellen. Dat beleid biedt de mogelijkheid om ook discriminatie en haatspraak te bestrijden, maar dan moeten deze thema’s wel expliciet benoemd worden. Als diversiteit en LGBTQIA+-rechten niet concreet worden opgenomen in maatregelen, bestaat het risico dat ze ondergesneeuwd raken.
Daarnaast benadrukt minister Demir het belang van een kennisrijk curriculum. Daardoor dreigt de pedagogische opdracht van scholen, leren omgaan met diversiteit, identiteit en verschillen, naar de achtergrond te verdwijnen.”
Als het beleid tekortschiet, hoe kunnen scholen dan toch inzetten op diversiteit en inclusie?
“De meest structurele manier om scholen hierover in gesprek te laten gaan, is via de minimumdoelen. Als thema’s zoals genderdiversiteit en seksuele en relationele vorming daarin opgenomen zijn, zijn scholen verplicht om ermee aan de slag te gaan.
In de initiële minimumdoelen waren die genderdiversiteit, seksuele en relationele rechten en vrijheden ook opgenomen. Maar die minimumdoelen zijn aangevochten in het Grondwettelijk Hof, omdat sommige onderwijskoepels oordeelden dat ze te weinig ruimte lieten voor eigen invulling en pedagogische autonomie. In de herwerkte minimumdoelen voor het secundair onderwijs zijn die thema’s daardoor grotendeels verdwenen.
Dat maakt het vandaag moeilijker om scholen hiertoe te verplichten. Een elementaire piste is om samen te werken met de onderwijskoepels, opdat zij deze thema’s opnemen in hun leerplannen. Op die manier kan je nog steeds een groot deel van de scholen bereiken. Het is daarbij essentieel dat dit op een verbindende en niet-polariserende manier gebeurt.”
Hoe kijkt u naar de toekomst: ziet u redenen tot hoop of eerder tot bezorgdheid?
“Het is niet moeilijk om in de huidige geopolitieke context de hoop te verliezen. Toch vestigen we onze hoop op een kennisrijk curriculum waarin ook ruimte is voor persoonlijke ontwikkeling en welzijn.
Desondanks is het belangrijk om die evoluties in perspectief te plaatsen. We zien dat Europeanen discriminatie meer en meer afkeuren en dat de steun voor gelijke rechten groeit. Over het algemeen worden we steeds toleranter tegenover LGBTQIA+-personen.
Dat geeft hoop. Maar het betekent ook dat we die vooruitgang actief moeten blijven verdedigen en benoemen. Als we het ergens niet mee eens zijn, moeten we blijven op straat komen en onze stem laten horen. We mogen ons niet laten ontmoedigen of intimideren door negatieve tendensen, zeker op sociale media. Daarom zou ik zeggen: laat positieve commentaren achter en spread the love.”
Hoe inclusief is het Vlaamse onderwijs vandaag? In deze reeks onderzoekt reporter Valentine Vanparys hoe LGBTQIA+-jongeren hun schooltijd beleven, welke uitdagingen middelbare scholen tegenkomen en waar kansen liggen om een veilige en inclusieve leeromgeving te creëren. Acht weken lang brengen we op vrijdag een nieuw verhaal, van persoonlijke getuigenissen tot diepgaande interviews en achtergrondreportages. Lees hier de andere artikels uit de reeks ‘Onderwijs zonder label‘.