• Onze zomerkampen staan online, check ze hier en schrijf je in

  • Elke woensdagmiddag StampLab, waar je experimenteert met media

  • Kom met ons mee naar festivals deze zomer om te reporteren

  • Stamp is uitzonderlijk gesloten op donderdag 18 juni

Ellen Renson: “Het jeugdhulpverleningsaanbod in België is nog té ontoereikend”

Ellen Renson is sinds 2020 directeur van Jeugdhulp Don Bosco Limburg. Als moeder van twee kinderen zet ze zich dagelijks vol passie in voor de organisatie. Dat gaat niet zonder uitdagingen. Door het groeiende plaatsgebrek in de jeugdzorg neemt de druk toe, en dat vraagt om nieuwe perspectieven en veranderingen.

Hoe ben je in de jeugdzorg terechtgekomen?

“Ik heb eigenlijk een heel pad afgelegd. Door mijn leermoeilijkheden was mijn schoolloopbaan nogal een bumpy road, maar toen ben ik op de Kunsthumaniora in Brussel terechtgekomen. Dat heeft veel voor mij betekend in de zoektocht naar zelfvertrouwen en ontplooiing.

Ik voelde al snel dat ik de wereld wilde verbeteren. Daarom heb ik maatschappelijk werk en eventmanagement gestudeerd. Mijn stages hebben mij sterk gevormd. De laatste stage was bij Amnesty International, waar ik nadien kon starten als campagnecoördinator. Na de geboorte van mijn dochter wilde ik dichter bij huis gaan werken en ging ik aan de slag bij Stad Hasselt als coördinator integratiedienst- en wijkopbouw. Tijdens mijn loopbaan kwam ik veel in aanraking met moeilijke thuissituaties en de jeugdhulp, wat mij inspireerde. Ik voelde dat dat de richting was die ik uit wilde.”

“Ik wilde de wereld verbeteren”

Wat doet Jeugdhulp Don Bosco Limburg?

“Wij zijn een jeugdhulporganisatie met zes deelwerkingen. We hebben twee leefgroepen: De Weijers en Het Jongenstehuis. Daar verblijven jongeren die niet thuis kunnen wonen. We bieden hier ook contextbegeleiding aan. We hebben één dagcentrum De Passer, waar we met de jongere en het gezin werken aan pedagogische- en groeimogelijkheden. Ook hebben we een huis voor niet-begeleide minderjarigen: Verde, waar jongeren op zelfstandigheid worden getraind. Als laatste hebben we twee LeOnhuizen waar we gezinnen ondersteunen in hun schoolloopbaan en talentontwikkeling.”

Een job met erg veel variatie dus! Hoe ziet een typische werkdag eruit voor jou?

“Goh… veel vergaderen! (lacht) Ik probeer elke maand minimum één keer aan te haken bij een deelwerking via een teamvergadering. Zo houd ik voeling en denk ik mee met de collega’s over grote uitdagingen. Op vzw-niveau zitten we ook regelmatig samen met de directies. Daarnaast volg ik zowel de personeels- als de financiële uitdagingen mee op. Aangezien niet al onze werkingen gesubsidieerd zijn, gaat er ook veel tijd naar netwerking in functie van nieuwe inkomsten.”

Wat zijn de grootste uitdagingen die je ervaart binnen jouw functie?

“Wat ik een heel grote uitdaging vind naast het financiële, is het mentale evenwicht binnen het personeelsluik. Wij worden dagelijks geconfronteerd met heel emotionele thema’s. Kinderen hebben al zoveel meegemaakt en dat zorgt vaak voor moeilijke situaties. Groei gaat vaak gepaard met weerstand. Dat is bij mijn eigen kinderen ook zo en eigen aan opgroeien, maar in groepen komen al die situaties samen. We proberen een evenwicht te zoeken en een veilige, gezonde omgeving te bieden. De medewerkers moet er blijven staan zonder te crashen, dag in dag uit.”

“Ik moet mijn hoofd stroomlijnen en daar heel bewust mee omgaan”

Je vermeldde dat jouw beperkte concentratie en dyslexie een impact hadden op je schoolcarrière. Merk je daar nu nog een grote invloed van?

“Absoluut! Ik moet alles opschrijven en werk met een agenda waarin ik alles probeer vast te houden, al vergeet ik nog soms dingen. Ik doe ook aan hartcoherentie: elke dag tien minuten ademhaling voor ik uit bed ga, dan werkt mijn hoofd beter.

Het heeft natuurlijk ook voordelen. Ik ben creatief en kan snel denken. Maar ik moet mijn hoofd stroomlijnen en daar heel bewust mee omgaan. Dyslexie kan je trainen. Tenzij ik echt héél moe ben, dan loopt het in de soep, maar dan heb ik nog altijd de Spellingscheck.” (lacht)

Groeiend plaatsgebrek

Er wordt vandaag veel gesproken over het almaar groter wordende plaatsgebrek binnen de jeugdhulp. Hoe merk je dat in jouw dagelijkse werking?

“We merken dat kinderen, voor ze bij ons terechtkomen, al een lange wachttijd achter de rug hebben. Ook zien we dat situaties feller ontspoord zijn dan tien à vijftien jaar geleden. Hoe langer er gewacht wordt, hoe complexer de casussen. De vraag naar opvang is zo urgent dat wij soms meermaals per week gebeld worden met de vraag of er nog een plekje vrij is. De wachtlijsten zijn gewoon té lang.”

Wat gebeurt er wanneer een jongere dringend hulp nodig heeft maar er geen plek is?

“Veel hangt af van het netwerk rond het gezin. Is er familie of zijn er andere mensen die kunnen helpen? Heeft het kind hobby’s? Is de school of het CLB betrokken? In afwachting tot de juiste hulp wordt er zo gezocht naar een tijdelijke overbrugging zodat het gezin ontlast kan worden. Maar in de realiteit moeten gezinnen lang wachten en zijn ze vaak aangewezen op zichzelf.

Er zijn de laatste jaren ook rechtstreeks toegankelijke initiatieven opgestart zoals Eén gezin één plan (1G1P)en onthaalpunt DOETERTOE. Daar kan de jongere zelf, of eender wie ongerust is over een jongere, zich aanmelden. De medewerkers onderzoeken dan de situatie en zoeken gepaste hulp.”

Hoe komt het dat het plaatsgebrek zo groot is geworden?

“Gezinnen zijn tegenwoordig meer in transformatie. Hoewel ik het een goede zaak vind dat het traditionele gezin niet meer de maatstaf is, zijn kinderen daardoor soms minder vertegenwoordigd. Veranderende gezinssamenstellingen brengen meer kansen op moeilijkheden en risico’s. Ook complexe vechtscheidingen zijn fundamenteel schadelijk voor kinderen, en die komen nog té vaak voor.”

Denk je dat de problematiek van jongeren ook een meespelende factor is in het plaatsgebrek?

“We merken dat veel meer kinderen een label hebben, zoals ADHD of autisme. Ik zou misschien ook wel een label gekregen hebben. (lacht)

Kinderpsychologen zijn vaste partners geworden. De oorzaak van die ‘problematieken’ is nog niet helemaal duidelijk. Er is in ieder geval meer aandacht voor en dat is een goede zaak. Het speelt dus zeker mee.”

Wat moet er structureel veranderen om het plaatsgebrek aan te pakken?

“Veel meer flexibel schakelen. Momenteel zitten veel jongeren nog té lang in een leefgroep, maar dat kan anders. We moeten meer inzetten op kortere begeleidingstrajecten en sneller terug naar huis werken waar mogelijk. We doen dat al, maar het kan nóg beter. Daarnaast moet er een laagdrempelig en preventief hulpaanbod zijn nabij gezinnen. Zowel het Huis van het Kind als de LeOnhuizen zijn hier voorbeelden van. Er moet ook bijkomend geïnvesteerd worden door de overheid in verblijf. Het jeugdhulpverleningsaanbod in België is nog té ontoereikend.”

Wat motiveert je om dit werk te blijven doen?

“Ik doe het gewoon heel graag. Ik ben écht een ‘kindermie’. Als er ergens kindjes voorbijkomen, dan ben ik al blij. ‘Allez, daar is ze weer’, zie ik hem dan denken.(lacht)

Ik werk voor een heel fijne organisatie met waarden die aansluiten bij wie ik zelf ben. Hoewel ik zelf niet religieus ben, bewonder ik het werk van Don Bosco enorm. Ik ben heel fier om die nalatenschap verder te zetten.”