Inclusie in de cultuursector? “Iedereen is welkom, maar zo voelt het niet”
CultuurBrussels minister Elke Van den Brandt (Groen): “Brussel heeft niet de tijd om eventjes in de wachtkamer te zitten”
Na 613 dagen stil te hebben gestaan, kreeg Brussel in februari eindelijk een regering.
Elke Van den Brandt (Groen) trad uit als minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid en kreeg dezelfde titel in de nieuwe regering. Ze heeft veel werk voor de boeg: “Mensen hebben op mij gestemd omdat ze ambitie willen, met die mindset ben ik aan tafel gaan zitten.”
Brussel heeft bijna twee jaar zonder regering gezeten. Hoe is de partij Groen omgegaan met onzekerheden?
“Ik vond dat een verschrikkelijke periode, want ik zie mijn stad graag. Dat was een periode waarin alleen negatief over Brussel werd gesproken. Waarin ook geen nieuwe initiatieven konden genomen worden, waardoor veel organisaties in onzekerheid zaten. Ik heb ideeën, ik heb projecten, ik wil de stad vooruit zien gaan, maar veel zaken konden niet. Je zit in een soort wachttijd, maar Brussel heeft niet de tijd om eventjes in de wachtkamer te zitten. Hier is nog veel werk en dat heeft zich laten merken. Ik ben er eigenlijk nog altijd kwaad over, want die periode heeft veel schade aangericht.”
Wat heeft Groen wel bereikt in deze periode?
“Ik hoop dat wij hebben kunnen tonen dat je heel standvastig op je inhoud kunt zijn, maar wel constructief in de samenwerking. In die periode was het voornaamste doel: we moeten opnieuw een regering hebben. We wilden gewoon een ploeg die Brussel graag ziet en daarbinnen zouden we wel knokken voor onze standpunten.
Het mobiliteitsplan is heel controversieel geweest. Zeven partijen met elk hun eigen visie, dat is veel. Dan moet je wel gaan zoeken naar die compromis. Wij hebben de verkiezingen gewonnen met Groen, ik heb mijn persoonlijke score kunnen verdubbelen, dus ik ben wel gaan onderhandelen. Mensen hebben op mij gestemd omdat ze ambitie willen op mobiliteit, op publieke ruimte. Dat moet ik nu ook waarmaken. Met die mindset ben ik aan tafel gaan zitten.”
“Met de naam was ik niet getrouwd en voor de rest blijft ‘Good Move’ hetzelfde”
Georges-Louis Bouchez (MR) maakte een felle opmerking over het zogenaamde einde van ‘Good Move’, het Brusselse mobiliteitsplan. Wat vond u hiervan?
“Ergens vond ik dat wel grappig, want hij had voor de onderhandelingen al beslist dat hij dat ging zeggen. ‘Good Move’ heeft veel positieve effecten gehad: er is minder autoverkeer door het centrum, er is minder lawaai en vervuiling, er wordt meer gefietst en gewandeld en de horeca doet het goed. Het huidige plan loopt nog tot 2030. De opvolger krijgt een nieuwe naam en de circulatieplannen zullen meer toegespitst zijn rond scholen. Met de naam was ik niet getrouwd en voor de rest blijft het hetzelfde.”
Brussel wordt weleens een filestad genoemd, sommigen schrijven dat toe aan de zone dertig. Klopt dat?
“We hebben dat allemaal onderzocht toen we die invoerden. We hebben tien vaste trajecten binnen Brussel bepaald en gemonitord om te kijken of je langer onderweg bent. Dat is niet het geval. In een stad is de gemiddelde snelheid eigenlijk al maar achttien kilometer per uur, omdat je vaak moet stoppen. Een file wordt vooral bepaald door het aantal auto’s aan kruispunten. We voorzien slimme verkeerslichten aan kruispunten voor een vlotte doorstroming en we proberen mensen te overtuigen om zich op andere manieren te verplaatsen. Iedereen die op de fiets zit, staat al niet mee in de file.”
En er komen ook steeds meer fietsers bij, maar volgens cijfers van het Fietsobservatorium voelen die zich almaar onveiliger en was er in 2025 een forse stijging van het aantal fietsdoden. Hoe komt dit?
“Er zijn drie keer meer fietsers. Brussel stond nog niet bekend als fietsstad. We hebben al veel fietspaden aangelegd zodat je veilig kan fietsen, maar er is nog werk. 2025 was een slecht jaar voor verkeersveiligheid in Brussel. Er waren twintig verkeersdoden, wat heel veel is. Maar in het algemeen zien we tegenover tien jaar geleden wel een sterke daling.
We volgen het reële veiligheidsrisico voor fietsers op. We zien dat het aantal ongevallen niet meestijgt met het aantal fietsers. Het ongevalsrisico wordt dus niet groter, maar dat gevoel bij mensen wel. Dat komt omdat er nu meer diversiteit is tussen fietsers: kinderen, jongeren, ouderen. Dat gevoel van veiligheid is echt belangrijk en daarom blijven we inzetten op aparte fietspaden, waarop mensen op hun eigen tempo kunnen fietsen. We voelen nog steeds dat we daar een inhaalbeweging aan het maken zijn.”
“In Brussel mikken we op om de 9 minuten een bus. Dat doen we bewust omdat we weten dat, zolang je onder die dubbele cijfertjes blijft, mensen niet moeten plannen”
In Vlaanderen wordt bespaard op De Lijn. Is dat ook een trend bij de MIVB in Brussel?
“Integendeel, wij blijven investeren in de MIVB. Daar ben ik trots op: in Brussel hebben wij goed openbaar vervoer. We hebben de vorige regeerperiode ingezet op groei en het aanbod met vijftien procent doen toenemen, twee nieuwe tramlijnen ingericht en het jongerentarief sterk verlaagd.
We vragen aan de MIVB om een aantal inspanningen rond besparingen, maar dat mag het aanbod niet raken. Dat ga ik ook blijven verdedigen, want het is heel contraproductief om te besparen op openbaar vervoer. Als er te weinig mensen een bepaalde bus nemen, moet je die niet schrappen. Je moet dan net meer bussen inleggen, zodat het een toegankelijker alternatief wordt. Anders krijg je mensen nooit uit de auto.
In Brussel mikken we op ‘om de negen minuten een bus’. Dat doen we bewust omdat we weten dat, zolang je onder die dubbele cijfertjes blijft, mensen niet moeten plannen. Als er nieuwe bussen worden aangekocht, moeten die elektrisch zijn, dat is goed voor de luchtkwaliteit en we merken dat die ook meer worden geapprecieerd in woonwijken. Het is de bedoeling dat mensen de MIVB als een goede vriend gaan zien. Dat vraagt veel investeringen, maar daardoor zie je wel dat in Brussel meer dan de helft van de mensen geen wagen heeft. Mensen gaan zich anders verplaatsen en daardoor winnen we plek.”
“Mensen hebben het gevoel dat de wereld instort. Die hoop terugbrengen, je merkt dat mensen daar echt naar snakken”
Groen wordt alsmaar groter in steden, maar gaat federaal achteruit. Waarom is dat contrast zo groot?
“Omdat je in de steden veel meer voelt waarover het gaat. Als ik hier in Brussel wordt verkozen, is dat omdat mensen weten dat het leven er zo beter op wordt. Omdat wij zeggen: we gaan bomen planten in de straat, we gaan fietspaden aanleggen zodat uw kind veilig naar school kan, we leggen extra bussen in. Mensen voelen concreet wat het voor hen betekent om een groenbeleid te hebben. Ik heb in Brussel veel weerstand gehad, maar ook veel steun ervaren. En dat liep tot nu toe moeilijker met ons federaal beleid. Dat veel meer uitleggen, dat is een uitdaging voor Groen.”
Denkt u dat de nieuwe partijvoorzitter, Aimen Horch, Groen nieuw leven in kan blazen?
“Ik geloof er heel hard in. Hij deed zijn campagne voor het voorzitterschap rond ‘hoop’. Mensen hebben het gevoel dat de wereld instort. Die hoop terugbrengen, alternatieven bieden voor doemscenario’s, je merkt dat mensen daar echt naar snakken.
Hij wil ook vechten voor de mensen, het opnemen voor de jongeren, heeft een achtergrond in migratie en in armoede. Hij brengt andere ervaringen mee en dat hebben we echt nodig in de politiek. Ik ben blij dat Aimen stemmen gaat vertolken die nog te weinig vertolkt zijn.
Brussel is een solidaire stad, met heel veel mensen die elkaar helpen. Zo moeten we ook aan politiek doen: empathisch zijn en compromissen zoeken. Ik geloof erin dat je dat moet tonen om mensen ook dat beeld te geven: het kan écht anders.”